vrijdag 27 augustus 2004

Interview Max Velthuijs: ‘Mijn hand wil altijd een andere kant op’


Wie hem feliciteert, krijgt een linkerhand, want de schrijvenaar heeft zijn pink gebroken. Nota bene twee uur voor hij hoorde dat hij met zijn prentenboekenoeuvre de Hans Christian Andersenprijs gaat krijgen. Zeg maar: de Nobelprijs van de jeugdliteratuur.
Dat kan alleen Max Velthuijs zijn, de gelukkigste pechvogel van Nederland. Op zijn zestigste wordt hij na een productief leven als illustrator, grafisch ontwerper en reclametekenaar op de valreep wereldberoemd met Kikker. Op zijn eenentachtigste, twaalf bestsellers en een echtscheiding verder, krijgt hij de officiële internationale waardering, die alleen Annie M.G. Schmidt eerder heeft mogen ontvangen.
En dan over een koffer struikelen op Schiphol. Precies als een van zijn vertederend onhandige helden Klein-Mannetje dacht hij toen: ‘Bof ik even! Ik had ook plat op mijn gezicht kunnen vallen! Wat een geluk!’
En die prijs? ‘Ach, die prijs doet me eigenlijk niks.’
Hij meent het, zoals hij alles meent wat hij zegt. Hij heeft de afgelopen maanden niet goed kunnen werken door het ongeluk op het vliegveld en veel Olympische Spelen gekeken. ‘Het is natuurlijk een hele eer en ik moet niet ondankbaar zijn. Maar die totale gekte van blijdschap zoals bij die jongens en meisjes in het zwembad? Nee. Misschien komt het omdat ik zo oud ben. Ik heb mijn doel al lang bereikt. Iets anders dan dat bijzondere Kikkergevoel overbrengen op de lezers wil ik niet meer.’
Ook dat hij één van de twee Nederlanders is die met de Hans Christian Andersenprijs kan pronken, verandert daar weinig aan. ‘Ik mag het niet hardop zeggen, maar ik vond Annie nooit zo geweldig. Haar versjes wel, maar daarna al dat maatschappelijk relevante gedoe. Ze moest altijd zo vooruitstrevend en zo vernieuwend zijn. Daardoor is haar werk nu al achterhaald.’
Velthuijs heeft zich altijd door het tijdloze en grensoverschrijdende laten inspireren. De knap-naïeve dierverhalen van het Duits-Poolse dubbeltalent Janosch bijvoorbeeld, of de expressieve kleurenpracht van de Brit David McKee. ‘Ik heb eigenlijk geen Nederlandse voorbeelden’, zegt hij.
Ook zijn eigen prentenboekencarrière heeft een bij uitstek internationale trek. Een Engelse uitgever was de eerste die wat zag in Kikker. En liet zijn avonturen van meet af aan in een tiental landen tegelijk verschijnen, waaronder Japan. Een nijvere Zwitser verzorgt de lithografie. En een Italiaan doet, hoewel het vast in China goedkoper kan, al jaren het drukwerk. ‘Ja, ik mag dan wel een genadeloos critische graficus zijn, ik laat wel een spoor van interantionale vriendschappen achter me. Ik reis wat af.’
Maar van ophouden wil hij niet horen. ‘Voorlopig ben ik fit. Ik zou ook de hele dag bezig kunnen met mijn twee tuinen, maar verdorie, tekenen is mijn léven. Bovendien heb ik een gezin om voor te zorgen.’
Dat is waar. Hij heeft twee zoons uit twee huwelijken en voor hij kwiek de straat oversteekt naar zijn Haagse atelier, stelt hij in de keuken nog even snel zijn nieuwe vriendin voor. En dan hebben we het nog niet eens over de hele collectie dieren, Kikker, Varkentje, Eend, Haas en Rat, die op zijn oude dag misschien nog wel zijn belangrijkste familie zijn geworden.
‘Zeg maar gerust: na een leven vol wendingen’, stelt hij tevreden vast, terwijl hij zijn zoveelste sigaret opsteekt. ‘Ik alles gedaan op grafisch gebied. Boeken vormgeven, reclame, postzegels, sterspotjes, cartoons. Allemaal in opdracht. En het verdiende prima, maar het was niet bevredigend. Mijn hand wilde altijd een andere kant op. Er kwam een dag, zo rond mijn zestigste, dat ik dacht: vanaf nu ga ik alleen nog maar doen wat ík wil. En dat was prentenboeken maken.’
Tot dan toe deed hij het erbij, met mondjesmaat. Pas in 1972 was hij de zoetsappige verhaaltjes beu en besloot hij om ze zelf te gaan schrijven. Hij werkte toen voor een Zwitserse uitgeverij. ‘Het grootste succes daar is Het mooiste visje van de zee. Met van die plakglittertjes erop. Dat is toch de meest absolute kitsch die er ooit is uitgegeven? Niet te geloven.’
Op een dag liet Velthuijs’ een daarom tekening van een eigen verhaal slingeren tussen de schetsen voor een opdracht en vertelde in zijn onbeholpen Duits zijn plan voor De jongen en de vis. De uitgever hapte meteen toe. Sindsdien heeft hij nooit meer voor een ander geïllustreerd.
Toch ging het daarna nog steeds langzaam. Erkenning was er zeker, maar het duurde tot 1989 tot het grote succes kwam: Kikker. ‘Daarvoor heb ik nooit van kunnen leven van mijn illustraties. Een oplage van 4000 prentenboeken is hier al heel erg veel. En dan heb je er de kosten nog niet eens uit. In Nederland hebben prentenboeken eigenlijk nauwelijks bestaansrecht. De meeste nieuwe prentenboeken vind je binnen de kortste keren bij de Sleghte.’
Kikker niet. En zo werd hij naast tekenaar ook schrijver, of schrijvenaar zoals hij het ook wel eens noemt. ‘Maar ik moet toegeven: het tekenen gaat vóór. Ik moet daarmee oppassen, want ik heb ook Griffels gehad voor mijn teksten. Schrijven is voor mij, hoe zal ik het zeggen... ánders. Als ik aan een prentenboek begin heb ik beeld en tekst al in mijn hoofd. Die tekst schrijf ik zo op. Ik ben er met wat geschaaf hoogstens een dag of twee mee bezig. Maar die prenten. Daar werk ik rustig een half jaar aan.’
Geconfronteerd met citaten uit eigen werk, begint hij te grinniken. Vooral bij die eerste zin uit Kikker en de vreemdeling: ‘Er was een vreemdeling komen wonen aan de rand van het bos. Varkentje had hem als eerste ontdekt.’
Dan buigt hij samenzweerderig voorover en zegt: ‘Ik ben niet zo onschuldig als ik me voordoe. Achteraf lees ik mijn boekjes wel eens terug en dan zie ik heus wel dat er een hoop verborgen betekenis achter zit. Maar ik denk er gewoon niet zo diep over na. Ik hou niet zo van boodschappen.’
Die zijn er natuurlijk wel. Velthuijs kan als nakomertje uit een onderwijzersgezin haast niet anders. ‘Maar er moet ruimte blijven voor twijfel. Als ik ergens de pest aan heb dan is het wel aan mensen die alles maar zeker weten.’
Hij gooit het daarom op veel naïeviteit en een klein beetje moraal. Zoals in Kikker en het vogeltje, waanzinnig populair bij begrafenissen. ‘Ik los dat op zoals kinderen het doen: heel praktisch. Er is een dood vogeltje. Wat doen we ermee? Hup begraven. Even een traan. En daarna tikkertje spelen en de slappe lach krijgen. Op het laatste plaatje fluit op de tak alweer een nieuw vogeltje. Want dat is het mooie van prentenboeken: er is altijd die vrolijke laatste bladzijde.’
Naast Kikker houdt hij het meest van Rat, de enige avontuurlijke van het stel. In Kikker en de horizon verleidt Rat Kikker zelfs om zomaar weg te wandelen uit zijn veilige wereldje. ‘Ja. Dat was spannend. Het was bijna afgelopen met Kikker! Maar natuurlijk gingen ze gewoon weer terug. Zoals dat hoort in prentenboeken. Ik laat de kindertjes niet met de ellende achter.’
Toch verraadt het gezicht dat Velthuijs trekt als hij dit vertelt, dat hij misschien wel had gewild dat Kikker wél over de horizon was gegaan.
Voelt de kunstenaar en de flierefluiter zich dan toch weer begrensd?
Daar denkt hij even over na. ‘Nee’, zegt hij dan. ‘Dat is het niet. Maar als je echt goede prentenboeken wilt maken moet je wel een eeuwige twijfel voelen tussen het veilige en het avontuur. Want dat is waar prentenboeken over gaan. Altijd net een stapje verder en dan snel weer terug naar huis.’
Een van de weinige dingen die Velthuijs niet kwijt kan in zijn verhalen, is het onderwerp oorlog. ‘Daar kan ik niks mee. En ik kan niet rivier waar Kikker in zwemt niet laten vervuilen of bulldozers zijn huisje plat laten walsen.’
Velthuijs heeft nog een Blauwe Maandag in het verzet gezeten. Valse stempels gemaakt voor de identiteitspapieren onderduikers. Na de oorlog flirtte hij met het communisme en maakte hij cartoons voor het blad Voorwaarts. Toen Stalin openlijk antisemitische uitspraken begon te doen, haakte hij af.
Zijn linkse broeders uit die dagen ontmoet hij nog wel eens. ‘We zijn allemaal gedesillusioneerd. Vlak na de oorlog wilden we alles anders doen. We waren idealisten. Maar er kwam niets van terecht. Kennelijk kan die wereld niet, waar wij van droomden. De veilige omgeving van het prentenboek is míjn oplossing voor dat probleem. Daar kan ik mezelf kwijt zoals ik ben.’
Hij droomt nog steeds van het definitieve prentenboek over de oorlog. ‘Het verbaast me zo dat we na iedere oorlog alles beter willen doen en toch de volgende generatie weer zingend in vrachtauto’s naar het front trekt. Ik heb er alleen nog nooit een vorm voor kunnen vinden om dit te vertellen. Misschien kan dat pas als ik het begrijp.’

Dat de gebeurtenissen in de Kikkerserie álles te maken hebben met de gebeurtenissen in het leven van Velthuijs, daar heeft hij nooit een geheim van gemaakt. Joke Linders, zijn biograaf, heeft dat in het vorig jaar verschenen Ik bof dat ik een kikker ben breed uitgemeten. Tot aan de meest pikante liefdesperikelen en zijn hardnekkige rugklachten aan toe.
‘Dat hoort erbij’, berust Velthuijs achteraf. ‘Een biograaf wil alles weten en stuit dus wel eens ergens op. Toen ze begon aan het boek, vier jaar geleden, lag ik net midden in de scheiding met mijn tweede vrouw. Met haar heb ik zevenentwintig jaar samengeleefd. Ik was dus niet bepaald in de stemming voor een biografie. Maar Joke Linders zei: het is je leven. Daar schrijf ik over. Dat kan ik er dus niet uitlaten. En ze heeft natuurlijk gelijk. Ik ben er ook niet door beschadigd. Integendeel, sinds de mensen weten dat Kikker is bedroefd over mij gaat, doen ze nóg aardiger tegen me.’
De biografie ervaart hij achteraf als een therapie. ‘Ik ben mijn leven beter gaan begrijpen door dat boek. Ik heb altijd zorgeloos geleefd. Wat ben ik toch een gelukskind, denk ik altijd. Zelfs op mijn oude dag! Ik noemde mezelf lui. Toen ik alles op een rijtje zag, dach ik: jeetje, ik heb me rotgewerkt al die tijd.’
Maar, merkt Max Velthuijs, je bent nooit te oud voor nieuwe teleurstellingen. ‘Ik heb handtekeningen gezet onder contracten die ik niet gelezen heb. Iedereen probeert te verdienen met mijn succes, mijn Kikker. Kikker is geld geworden, en dat doet pijn. Want dat was de opzet niet. Ik weet nu één ding: het draait niet om succes. Succes zorgt dat je kan leven van wat je het liefst doet. Wat ik het liefst doe is tekenen wat mijn hand wil.’

Hij begint te lachen. ‘En ik hoef niet van een AOW te leven. Dat is ook een groot geluk.’

Max Velthuijs krijgt zijn Hans Christian Andersenprijs voor Illustratie op 5 september in Kaapstad tijdens het jaarlijkse congres van the International Board on Books for Young People, IBBY.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen