vrijdag 21 november 2014

Belletje trekken bij Kees Fens

Ze wonen de laatste jaren van hun leven in dezelfde straat, Paul Biegel en Kees Fens. Ze komen elkaar, kuierend langs de Keizersgracht, regelmatig tegen. Fens overleeft Biegel en schrijft kort na diens dood in een warm postuum dat hij verbaasd is dat Biegel hem altijd vriendelijk goedendag bleef zeggen. In plaats van hem een glas wijn in het gezicht te gooien. Dat doen andere schrijvers die hij bespreekt namelijk wel. Maar Biegel blijft een heer.

Dat is niet helemaal waar, maar wel bijna, vertelt zijn dochter Leonie Biegel later. Over de gewraakte recensie van Kees Fens wordt tijdens de herfst van 1972 in huize Biegel wel degelijk gesproken, maar vooral door mevrouw Biegel. Die vindt het een schande. Meneer Biegel mompelt dat meneer Fens zoiets toch zelf moet weten. En daarna gaat het weer over de loodgieter en dat de sinaasappels op zijn.

Biegel praat niet graag over zijn werk, hij schrijft het. Omdat dat het enige is dat hij kan. Zijn fantasie noemt hij een loeiende koe, die elke dag gemolken dient te worden. Meer wil hij er niet over kwijt.

De kleine kapitein is om allerlei redenen een interessant boek. Het is zonder enige twijfel zijn populairste. Het is ook zijn felst bekritiseerde, zij het door maar één recensent. En zelf had Biegel er een leven lang ook een ambivalente relatie mee. In het laatste interview voor zijn dood vraagt hij nog retorisch: ‘het is toch een verhaal om je vingers bij af te likken, niet dan?’ Maar even later geeft hij toe, dat hij toch blijer was geweest met Goud voor zijn lievelingsboek De tuinen van Dorr.

Biegel schrijft De kleine kapitein eind jaren zestig in losse delen voor Donald Duck. Hij heeft er op dat moment vanaf zijn debuut in 1962 negen titels op zitten. Titels waarvan er zes vergeten raken en drie nog altijd gelezen worden: Het Sleutelkruid uit 1964, Ik wou dat ik anders was uit 1967 en De tuinen van Dorr uit 1969. Het Sleutelkruid wordt bekroond tot Beste kinderboek van het jaar, de voorloper van de Gouden Griffel.

In krap tien jaar tijd is hij na een mislukte carrière als pianist, jurist en scenarioschrijver voor volwassenen bij Marten Toonder gevierd schrijver voor kinderen geworden die niets meer verkeerd kan doen. Mischa de Vreede schrijft op 10 december 1971 in NRC Handelsblad: ‘De kinderboeken van Paul Biegel zijn altijd goed. Ze hoeven niet besproken, alleen maar aangekondigd te worden’.

Haar ‘bespreking’ van De kleine kapitein is inderdaad niet veel meer dan een aankondiging. Ze noemt het een ‘verrukkelijk verhaal’, dat ‘op alle zoektochten uit de literatuur lijkt’, ‘poëtisch zonder mooidoenerij’, om vervolgens te concluderen dat ‘alle elementen voor een fijn boek […] aanwezig’ zijn.

Ook al zo kort en puntsgewijs is de onderbouwing in het rapport van de Griffeljury. Aan het begin van de achttiende Kinderboekenweek, die in het teken staat van ‘De hele wereld in een boek’, feliciteert de voorzitter de heer Biegel met zijn fantasie, de identificatiemogelijkheden en de plaatjes van Carl Hollander, die het verhaal een extra dimensie geven.

Ondertussen maken alle andere boekbesprekers zich liever druk over de vraag wat ze met het open einde moeten. Dat is wel raar, dat open einde. Maar drie van de zes matrozen gered. Ja, tellen kunnen ze wel. Maar dat een tweede deel voor de hand ligt, komt niet bij ze op.

Miep Diekmann is de enige die verder gaat en Biegel een kenner van ‘het geheim van het verhaal met de dubbele bodem’ noemt. Onderin de goochelaarshoed blijkt echter haar eigen stokpaardje verstopt. Ze noemt De kleine kapitein een ‘felle kritiek op liefdeloosheid en menselijk onbegrip’.

Terwijl het er verdorie tocht niet moeilijk uit te halen is, die boodschap. Een eiland waarop de volwassenen er uitzien als papegaaien! Een eiland met uit het circus ontsnapte dieren, die zonder hun dompteurs niet weten wat ze moeten doen! Dat kinderen heel goed hun eigen zaakjes kunnen regelen! Dat je buiten veel meer leert dan binnen!

In die zin is de felle bespreking van Kees Fens verfrissend. Hij breekt het net bekroonde boek tot de grond toe af en dat met – voor die tijd ongewoon – dezelfde literaire argumenten die hij in zijn volwassenenkritiek gebruikt.

Eerder liet hij zich al kritisch uit over De tuinen van Dorr. Hij noemt Biegel ‘de beste schrijver van kinderboeken van dit moment’ maar vindt zijn nieuwste boek té literair, te overdacht, te gecompliceerd. ‘Met alle respect’, besluit hij, ‘typisch een kunstproduct.’

Ook in zijn kritiek op De kleine kapitein gebruikt hij dat zinnetje. Fens vindt Biegels metaforen voor de hand liggend en de afzonderlijke verhalen inwisselbaar. Hij leunt te veel op bestaande verhalen en maakt zo literatuur van literatuur. ‘Literatuur met de hoofdletter K van kunst.’

Je kunt het daarmee oneens zijn, maar het is wel een interessante recensie. Fens is in 1972 zijn collega’s ver vooruit. Hij meet Biegel met de maat waar hij zelf om lijkt te vragen. Wie literair schrijft, moet niet verbaasd zijn ook literair beoordeeld te worden. Fens neemt de moeite om Biegel te lézen en te behoordelen met strenge maatstaven. Hem ‘te literair’ noemen heeft ook iets van een compliment in zich. Je zou zeggen dat de meester van de dubbele bodem dat ergens gewaardeerd moet hebben.

Daar staat tegenover dat Kees Fens naast Op zoek naar een oom van Jan Blokker – allang vergeten – en Alice in wonderland – is dat dan geen kunstproduct? – nu net Fulco de minstreel van Cornelis Johannes Kieviet uit 1882 naar voren schuift als hét voorbeeld van een goed kinderboek.

En dat is precies het punt waar volwassen kritiek op kinderboeken altijd wringt. Zijn eigen jongenshart begreep Kees Fens nog heel goed. Maar dat van de jongens die na hem kwamen niet. En een van die jongens, geboren in het jaar dat De kleine kapitein verscheen, ben ik.

Twee dingen waar ik aan denk als ik gevraagd word om een lezing te houden over De kleine kapitein zijn: wortels en tomaten. Ik zal u uitleggen waarom.

Als je wortels en tomaten niet in de koelkast doet, maar in de donkere kast onder de trap, dan worden ze steeds lekkerder. Ik geloofde dat nooit, maar ik ben het nog niet zo lang geleden toch eens gaan proberen en potverdorie: het is waar.

Ze worden viezig en korrelig en op een gegeven moment een beetje slap, maar ze smaken fantastisch en ze blijven veel langer goed dan je zou denken. Bij ons thuis liggen er zelfs nog wel eens muizenkeutels tussen de uien. Dat maakt het eten ervan éxtra spannend. Als je eenmaal bent overgestapt op groenten van onder de trap, dan wil je nooit meer wat anders.

Wat heeft deze metafoor met Paul Biegel te maken? Officieel helemaal niets, maar ik wil dat u dat gevoel van die donkere trapkast even vasthoudt. Ik heb altijd vermoed dat er een duister geheim in het werk van Biegel verstopt zit. Iets korreligs met heel veel smaak.

Dit wil ik even kwijt voor ik verder ga, want ik vind het belangrijk: er is altijd een gevoel dat áchter de recensie, het oordeel ligt. Een kleur die je gezien hebt bij het lezen van het boek, een geur die je geroken hebt. Een gevoel dat nooit verdwijnt als je gaat analyseren en argumenten gaat verzinnen waarom een boek goed is of niet. Vergeet literaire oordelen: er is eigenlijk maar één reden of een boek goed is of niet. En dat is de aan- of afwezigheid van dat soms onbestemde gevoel.

Zeker voor een jongen van een jaar of zeven. Ik ben zo’n jongetje dat drankjes maakt van berkenblaadjes en jeukpoeder van rozenbottelzaadjes. Ik schrijf liefdesbriefjes aan mijn moeder en begraaf die in een filmkokertje in de moestuin. Want ik denk dat ik de enige ben die stiekem zijn moeder zoent.

Ik bouw hutten en schrijf en teken daar boekjes over. Ik haal klokken uit elkaar en stel vast dat ik ze niet meer in elkaar kan zetten. Ik probeer een perpetuum mobile te maken van planken in de slaapkamer, maar krijg het niet voor elkaar. Kortom, ik weet wat avontuur is, succes en mislukking, dus alles wat De kleine kapitein kan is mágisch.

Alleen al dat gieten van die schroef van gesmolten muntjes in het zand van het strand, die korte scène aan het begin, dat is de essentie wat het voor mij. Eigenlijk hoef je de rest niet meer te lezen.

Maar dat doe ik natuurlijk wel. Ik herlees De kleine kapitein naast een duin in een bos tegen een boom, terwijl mijn kinderen een hut bouwen. Ik denk dat ik Biegel daarmee recht heb gedaan.

Ik zit daar te lezen, terwijl de mieren over mijn kuiten kriebelen en dennennaalden in mijn billen prikken. De beelden, hele andere beelden dan die Fens aanhaalt, komen terug. Het karretje. De motor met de stoelpoot in de badkuip, de schoorsteen van zes emmers. Het trompetje.

En wat me meteen verrast, omdat ik me daar niet zo veel van herinner: die zingende, dwingende taal. ‘Atomen zwingelen door het ijzer’, schrijft Biegel in deel twee Het land van waan en wijs. Prachtig! De kleine kapitein is gedragen, zangerig, bijna evangelisch. Het is spannend en toch is het meer, doordat je steeds teruggehaald wordt naar de taal, zonder dat het té nadrukkelijk wordt. Zoals later in het werk van schrijvers waarvan ík vandaag de dag het werk ‘een typisch kunstproduct’ zou noemen.

Ziet u. Daar ga ik. Dát is wat recensenten doen. Weet u wat ik echt heb geschreven? Ik vond mijn verfrommelde aantekenbriefje terwijl ik bijna klaar was met het schrijven van deze lezing terug tussen het zand onderin mijn rugzak. In telegramstijl staat daar:

‘Taal is mooi. Toon en ritme. Tempo hier en daar te hoog. Verhaal soms afgeraffeld. Ondanks 7 zonden en vliegende hollander en al dat andere geen echte diepgang. Grote woorden maar het blijft bij beelden. Stripverhaal.’

Verrek. Heeft Kees Fens dan toch gelijk? Is De kleine kapitein een klassieker, maar als kunstwerk mislukt? Of heeft dat jongetje gelijk, met zijn donkere-trapkast-gevoel? Of moeten we al die reacties op de een of andere manier aan elkaar smeden, met zo veel geweld dat de atomen zwingelen in het ijzer?

Ik denk dat laatste, maar vergeet dat moeten.

Want we moeten al zo veel. De wereld van de Nederlandse kinder- jeugdliteratuur heeft veel weg van een planeconomie. Overal zijn lijstjes van. Wat er geproduceerd moet worden voor welke leeftijden, hoeveel en voor wie, of er al een personage met PDS-NOS bestaat en hoeveel ruimte er nog is in het marktsegment dystopische jongerenromans en dat er nog veel Vmbo’ers zijn die met weddenschappen en bekende Nederlanders aan het lezen te krijgen moeten zullen kunnen zijn.

Tegelijkertijd moet er, en dat is minstens even erg, kunst gemaakt worden, de jeugdliteratuur zich ontworstelen, emanciperen. Ontzettend veel mensen die zelf niet schrijven houden zich daarmee bezig en produceren – het spijt me dat ik het moet zeggen – een hoop onzin over lezen, over literatuur, over kunst.

Gelukkig is uiteindelijk het oordeel van volwassenen secundair. Natuurlijk moet kwaliteit gewogen worden, maar lezerssucces moet daaraan vooraf gaan. Een boek begint pas klassiek te worden als kinderen zelf kinderen krijgen en dan weer aan dat boek denken, het terugvinden of kopen en na het voorlezen de trap aflopen en mompelen: ja, ja, precies, dát.

U zult mij niet gauw een boek een klassieker horen noemen. Maar dat De kleine kapitein klassiek is, lijkt me evident.

En dat is niet alleen omdat we in dit geval weten dat het boek na 43 jaar nog steeds met 3000 exemplaren per jaar verkocht wordt. En ook niet omdat het zo fijn is om vast te stellen dat de stap vanuit De kleine kapitein naar strikt literaire boeken - waarin alleen nog maar taal en denken is - zo klein is en de stap naar weerwolvenboeken - waarin vrijwel alleen maar avontuur is - ook.

Nee, dat is het niet. Wat Biegel interessant maakt is niet het verbinden van kunst en avontuur, maar juist de spanning tussen die twee. Kunst is niet een maatstaf waaraan je maar hebt te voldoen, maar de spanning die tijdens die worsteling met die maatstaf ontstaat. Welke maatstaf je ook kiest.

Echte schrijvers nemen – ook in een kinderboek – hun obsessies en frustraties, geheimen en liefdes, hun zorgen en hun hoop op geluk mee. Juist dat dubbele, kunst of niet, gelukt of niet, hóórt bij Biegel.

Juist wat hem succesvol maakte, daar had Biegel ambivalente gevoelens over. Die verscheurdheid tekent zijn leven. Hij wil de muziek in, maar wordt schrijver. Hij is homoseksueel, maar wil toch een gezin. Biegel heeft al die tegenstellingen in zijn leven soms op briljante wijze bij elkaar gebracht.

Het is niet zo gek dat zo veel van zijn verhalen een zoektocht naar het onmogelijke zijn. Misschien krijgt hij daarom op den duur een beetje een hekel aan De kleine kapitein, omdat daarin het onmogelijke toch mogelijk is en daarmee ook de worsteling weg dreigt te vallen. Er is dan geen tover, zoals hij het zelf noemt.

Dat heeft Fens volgens mij niet gezien. En het jongetje dat ik was, ziet het nu ook pas. Ik weet niet of het jammer is. Het is gewoon zo. Ik vind dat mooi. Biegel is de leeuw uit Het Sleutelkruid, die van de heks de tijd moet oppompen. En dat zo snel dat de heks de toekomst kan zien. Sneller, sneller pompt en pompt hij. En dan valt hij dood neer.

Biegel heeft met zijn dochter Leonie tijdens het kuieren over de Keizersgracht wel eens voor de deur van Fens gestaan. Zullen we belletje trekken en hard wegrennen, stelt Leonie voor. Dat vind Paul een reuze idee. Maar ze hebben het nooit gedaan.

Lezing, uitgesproken op het Symposium van de Jan Campert-stichting 2014 'Vijf klassieke kinderboeken', 21 november 2014.

vrijdag 10 oktober 2014

Woutertje Pieterse Prijs op de tocht

De Woutertje Pieterse Prijs voor kwalitatief hoogstaande kinderboeken dreigt te verdwijnen. Stichting Lira, die de prijs van 15.000 euro sinds 1997 financieel mogelijk maakt, kampt met geldgebrek. De stichting beheert auteursrechten van schrijvers, vertalers en journalisten en heeft een conflict met kabelexploitanten over de vergoeding van scenarioschrijvers. Lees verder in de Volkskrant.

donderdag 9 oktober 2014

Titel van het jaar: Hoe ik per ongeluk een boek schreef (Annet Huizing)

Dit debuut van Annet Huizing gaat voor de titel van het jaar: Hoe ik per ongeluk een boek schreef. Het had Hoe ik per ongeluk een briljante titel bedacht moeten heten. Katinka heeft een beroemde oude romanschrijfster als buurvrouw. Ze leert hoe het moet en schrijft al doende, dus, per ongeluk een boek. Annet Huizing schrijft daar dan trouwens ook weer onderhoudend over op haar blog.

woensdag 8 oktober 2014

Jan Paul Schutten vestigt record: hoogste notering van Gouden Griffel in twaalf jaar

Het prentenboek van de kinderboekenweek op één in de verkooptop-60 is niet zo bijzonder: dat gebeurt sinds de invoering van dat bijna-geschenk (het kost maar vijf euro, sinds dit jaar zeven) bijna altijd. Ook Francine Oomen, Paul van Loon en Vivian den Hollander zijn vaste gasten. Wat is hoog voor een Gouden Griffelwinnaar in de verkooptop-60? De hoogste positie in de afgelopen twaalf jaar is de derde plek, en die is deze week gehaald door Jan Paul Schutten. De laagste positie is de zesendertigste, gehaald door Marjolijn hof in 2007. Godje van Daan Remmerts de Vries haalde in 2003 de top-60 helemaal niet. Je kunt discussiëren over de precieze herkomst en betrouwbaarheid van de cijfers en wat een plaatsing werkelijk zégt, maar andere cijfers hebben we niet. Een overzicht.

1. Het raadsel van alles wat leeft van Jan Paul Schutten (2014), tot nu toe 1 week in de lijst, waarvan hoogste op 3

2. Spinder van Simon van der Geest (2013), tot nu toe 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 4, in de tweede week (eerste boek dat stijgt in de top-60 in plaats van daalt)

3. Dissus van Simon van der Geest (2011), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 7

4. Kinderen van Amsterdam van Jan Paul Schutten (2008), 4 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 8

5. Het boek van alle dingen van Guus Kuijer (2005), 1 week in de lijst, waarvan de hoogste op 8

6. Winterdieren van Bibi Dumon Tak (2012), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 10

7. Voordat jij er was van Daan Remmerts de Vries en Philip Hopman (2010), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste 15

8. Big van Mireille Geus (2006), twee weken in de lijst, waarvan de hoogste 19

9. Het geheim van de keel van de nachtegaal van Peter Verhelst (2009), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste 33

10. De dans van de drummers van Hans Hagen (2004), 1 week in de lijst, waarvan de hoogste 34

11. Een kleine kans van Marjolijn Hof (2007), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste 36

12. Godje van Daan Remmerts de Vries (2003), 0 weken in de lijst, waarvan de hoogste positie 0

Als je teruggaat door al die jaargangen zie je tussen Vijftig tinten grijs, Khaled Hosseini en de nieuwe Dan Brown ineens het prentenboekje van de kinderboekenweek opduiken. Altijd in week 41. In die week is ook altijd de hoogste notering van het boek dat de Gouden Griffel heeft gewonnen. De meeste Gouden Griffelwinnaars staan er twee weken in. Langste notering is vier weken. Echt interessant zijn titels die jarenlang gestaag verkopen, dat hoeft niet eens heel veel te zijn. Dat zijn de klassiekers en die kunnen lang leven zonder ooit in de BS60 terecht te komen. Even twee weken goed verkopen zegt, zeker in de kinderboekenweek, heel wat minder over je succes. Wel is duidelijk dat er grote onderlinge verschillen zijn. Je zou kunnen zeggen dat de kopers de laatste jaren steeds enthousiaster worden over de Gouden Griffel, in elk geval ten opzichte van kopers van andere boeken. Maar het zou ook kunnen betekenen dat 'Gouden Griffel kopen' op steeds meer teiltje-lijsten staat.

Bibi Dumon Tak: We gingen achter de hamsters aan

Bibi Dumon Tak is terug bij het genre waar ze mee begon én het beste in is: het journalistieke kinderboek. In We gingen achter de hamsters aan rijdt ze mee op de dierenambulance. In plaats van de informatie te fictionaliseren of in eigen woorden na te vertellen, zoals in kinderboeken de gewoonte is, zet ze juist de schijnwerpers op haar eigen rol en die van haar informanten. Ze legt bijvoorbeeld uit waarom de foto's snapshots zijn: omdat ze ze met haar telefoon gemaakt heeft en vanwege het welzijn van de dieren maar één korte kans kreeg. Juist die minder-gefilterde werkelijkheid en haar treffende portretten maken haar boeken écht. Het is eigenlijk gek dat deze werkwijze Dumon Tak, vier Zilveren en één Gouden Griffel, zo weinig navolging heeft gehad. Zelf stapte ze er een paar jaar geleden ook vanaf en maakte een aantal prachtig uitgegeven maar inhoudelijk minder geslaagde in-eigen-woorden-boeken over dieren. We gingen achter de hamsters aan is Bibi zoals we haar het liefste zien: met haar pootjes in de klei.

dinsdag 9 september 2014

Prachtige heruitgave Toon Tellegen Is er dan niemand boos?

Een liefhebberige uitstraling, dat hadden de petieterige bundeltjes dierenverhalen van Toon Tellegen in de jaren negentig van de vorige eeuw. Hij werd bejubeld en won Gouden Griffels, maar zijn boeken deden het vooral goed bij jongeren en volwassenen. Als parabels dus. Pas de laatste jaren zien zijn boeken er steeds meer als kinderboeken uit, zoals deze prachtige heruitgave van een aantal verhalen uit Is er dan niemand boos? uit 2002. Die was met illustraties van Annemarie van Haeringen al een stuk toegankelijker dan zijn eerdere boeken, maar de Bourgondische illustrator Marc Boutavant maakt er helemaal wat prachtigs van. Grote letters, stevig in de hand en fijne plaatjes.

vrijdag 5 september 2014

Voorbeschouwing Melvin Burgess Hype

Over anderhalve week in de winkel: Hype van Melvin Burgess, de Britse shock-auteur waar we ruim tien jaar niets meer van hebben gehoord. Wie is Melvin Burgess ook alweer? Hij debuteert met het in Engeland bejubelde The Cry of the Wolf. In de jaren negentig maakt hij indruk met het rauwe Junkies (Carnegie Medal 1996), waarmee hij hoopt te bereiken dat jongeren wel twee keer zullen nadenken voor ze aan de drugs gaan. Een tijd lang verschijnt het ene na het andere boek. Een oeuvre dat hem een aantal positieve recensies en nominaties voor prijzen oplevert, maar ook veel boze brieven van bezorgde ouders en collega's. Nooit helemaal begrepen, die prijzen. Bloedtij (2000) is een slordige, maar ook grove en opwindende roman, maar daarna zakt hij hard weg. Foxy, mijn leven als een teef (2002) is origineel, maar ‘overtuigt maar half' en Testosteron (2003) is gewoon een mislukt voorlichtingsboek. Daarna wordt het – in elk geval – in Nederland stil. Hij is hier nooit zo heel erg aangeslagen en na hem opgekomen auteurs in het zelfde genre, Kevin Brooks en Floortje Zwigtman, schrijven veel beter dan hij. Dat verandert niet dat een nieuwe Burgess nog altijd nieuwsgierig maakt. En terecht. In Hype gaat het er vanaf de eerste bladzij meteen weer vertrouwd rauw aan toe: een populaire zanger pleegt op het podium zelfmoord met een populaire nieuwe drug, die je eerst de week van je leven geeft. Vervolgens breken er rellen uit. Hype speelt in de nabije toekomst. Engeland is een totalitaire staat geworden en arm en rijk gaan niet meer met elkaar om. Helaas ook terug: de belabberde schrijfstijl.

Jenny Smelink-IBBYprijs voor Hans Hagen en Philip Hopman Het hanengevecht

Het is niet zo'n hele bekende prijs, maar wel eentje die dit jaar wat extra aandacht verdient: de Jenny Smelink-IBBYprijs, bedoeld voor boeken die aandacht besteden aan andere culturen, gaat dit jaar naar Het hanengevecht van Hans Hagen en Philip Hopman. En terecht. Juist omdat dit boek de gebruikelijke, tenenkrommende derdewereldvlijt van dit genre met kop en schouders overstijgt. Nog steeds een aanrader, dit boek.

zaterdag 12 juli 2014

Brooks Bunkerdagboek en Woltz Honderd uur nacht

Linus wordt wakker in een ondergrondse bunker met zes kamers, een keukentje, een lift en een klok. Naast elk bed staat een nachtkastje met een bijbel. Eerst is hij een paar dagen alleen, dan krijgt hij gezelschap van het basisschoolmeisje Jenny, de drugsverslaafde bouwvakker Fred, makelaar Anja, consultant Bird en ten slotte de homoseksuele natuurkundige Russell. In Bunkerdagboek van Kevin Brooks, uitstekend vertaald door Jenny de Jonge, vertelt Linus hun uitzichtloze verhaal.

De lift brengt elke dag een verrassing. Heroïne en een injectienaald voor de net afgekickte Fred, sigaretten voor Anja, vergiftigd eten, schoonmaakmiddelen, op een ochtend een dolle dobermann, die zijn tanden in de keel van Bird zet. En dan een hele tijd niets. Pogingen om te ontsnappen of de camera’s onklaar te maken zijn zinloos: ze worden afgestraft met een bijtend zuur uit het plafond. Fred komt zo ver dat hij een fles bleek opdrinkt, Linus zet zijn tanden in de bijbel.

Kan het nóg gemener? Dat is de vraag die elk nieuw buikpijnboek van Kevin Brooks oproept. De Britse schrijver heeft het niet zo op met de mensheid en weet in de kleur zwart meer schakeringen te ontdekken dan gewone mensen in de regenboog. Zijn negentiende boek in twaalf jaar is zo cynisch, dat sommige lezers het ook grappig zouden kunnen vinden.

Er is een tijd geweest, dat dit soort straffe, nihilistische kost alleen was voorbehouden aan volwassenen. Als Floortje Zwigtman met het geniale Wolfsroedel (Fontein, 2002) feitelijk en zonder een oordeel te geven laat zien hoe een groep jongens wordt meegesleurd in een maalstroom van geweld, krijgt ze tweeslachtige reacties. Het boek wordt met bezorgdheid besproken, maar wint ook een Gouden Uil en een Zilveren Zoen. De gemene novelle met de veelzeggende titel Niets (Clavis, 2010) van Janne Teller brengt acht jaar later de wenkbrauwen al nauwelijks meer in beweging.

Toch blijven sommige auteurs nog verdere grenzen opzoeken. Brooks is van die schrijvers ongetwijfeld de meest fanatieke. Dat leidt er, helaas, toe dat hij zichzelf een beetje dreigt te marginaliseren. Want zo veel boeken in zo weinig tijd maakt lezers murw en roept ook de vraag op of hij wel genoeg rust neemt om dat ene, allerbeste manuscript af te leveren.

Ook Bunkerdagboek heeft hier en daar last van haast en losse eindjes. De armoedige vormgeving van zijn in het Nederlands vertaalde boeken helpt daarbij niet. Eeuwig zonde, want Bunkerdagboek – afgelopen week in Engeland bekroond met een Carnegie Medal – is een van zijn meest intrigerende boeken tot nu toe.

Grenzen verleggen kan natuurlijk best zonder een nietsontziende uitzichtloosheid. Het scherpe Honderd uur nacht van jongerenauteur Anna Woltz is bij Brooks vergeleken zachtaardig. Maar ook Woltz is er zo eentje die met zichtbaar plezier het allervreselijkste verzint dat een tiener kan overkomen, en pas daarna bedenkt hoe haar personages zich al dan niet redden.

De veertienjarige Emilia ontdekt dat de rector, haar vader, is vreemdgegaan met een meisje van school. Ze slaat op de vlucht voor alle haat-mail en pesterijen, pikt zijn creditcard en boekt een reis naar New York. Als ze aankomt blijkt ze opgelicht. Het appartement dat ze vooruit heeft betaald, wordt bewoond door Seth en zijn lastige zusje Abby. Ineens is Emilia dakloos in New York, waar net orkaan Sandy losbarst.

De storm is, hoe kan het ook anders bij de artistiekste jeugduitgever Querido, een metafoor voor alles wat er in haar omgaat. De woede op haar vader, de desinteresse van haar moeder, haar smetvrees en de angst voor de twee jongens waar ze verliefd op wordt, ook al maakt het idee om ze aan te raken haar al bij voorbaat misselijk. Uiteindelijk blijkt al die ellende en dat schoppen tegen een oneerlijke wereld een heerlijke opmaat naar een zoen.

Wat het boek sterk maakt, is dat ze dit avontuur deels zelf heeft beleefd. Woltz woonde in het najaar van 2012 in New York en je kunt duidelijk merken waar ze haar grimmige dagboekaantekeningen overschrijft en zo haar verhaal een echtheid meegeeft, die jongeren in de meeste andere voor hen bedoelde lectuur wordt onthouden.

Woltz weet rechttoe-rechtaan meidenthematiek iets rauws, poëtisch én filosofisch mee te geven. Haar boeken worden stapje voor stapje beter en de transfer naar een van de strengste kinderboekenredacteuren van het land heeft Woltz zeker goed gedaan: haar zinnen zijn fris en origineel en hebben een prettig ritme.

Brooks schurkt aan tegen de thriller, Woltz tegen de chicklit. Toch geven ze allebei veel meer. Boeken die je niet weghalen bij de werkelijkheid, maar je er met de neus opdrukken en er een fascinerend perspectief aan toevoegen. Die vragen durven stellen, waarop de schrijvers het antwoord ook nog niet weten.

**** (4)
Bunkerdagboek

Kevin Brooks
Vertaald uit het Engels door Jenny de Jonge
De Harmonie, 248 pagina’s. € 17,50
Vanaf 14 jaar
ISBN 9789076168883

**** (4)
Honderd uur nacht

Anna Woltz
Querido, 214 pagina’s, € 13,99
Vanaf 14 jaar
ISBN 9789045116396

donderdag 26 juni 2014

Intrigerend voorwoord van de Griffeljury dit jaar

Ik waag me ook eens aan close reading. Als je de inleiding van het juryrapport van de Zilveren Griffels leest, vallen twee dingen op. Er wordt voor het eerst in tijden weer eens nadrukkelijk gezegd dat het de jury niets kan schelen of het boek 'door 100, 1.000, 10.000 of 100.000 kinderen met plezier is gelezen'. En de wat overbodige, maar daar door des te intrigerender opmerking aan het eind, dat de jury zich niet mengt in religieuze vraagstukken en stelt dat 'ketterij een zegen is in het belang van een levendige kinderboekencultuur'.

De eerste opmerking moet haast wel gaan over Jef Aerts, die met zijn tobberige proza vol verstikkend taalspel en gezochte metaforen vooral volwassen weet te bekoren op een manier die we sinds de jaren negentig van de vorige eeuw niet meer hebben gezien. Aerts is met twee boeken genomineerd en dat doe je natuurlijk niet zomaar. De tweede opmerking moet naar Jan Paul Schutten verwijzen, die veel lef heeft getoond door in een ambitieus informatief boek de strijd aan te gaan met bijna de helft van alle Nederlanders, die volgens onderzoek nog twijfelt aan de evolutieleer. Wie mijn voorkeur heeft, daar hebben we dan weer geen close reading voor nodig.

Het lijstje geeft verder een prima beeld van 2013, hoewel de jury met 9 Zilveren Griffels en 12 Vlag en Wimpels zich blijft gedragen alsof we met een bekroning minder iemand groot onrecht doen. Wel aardig dat de jury nog eens aandacht vestigt op de toegankelijke kinderbiografie ABC Dragt, die een Vlag en Wimpel krijgt, net als het zeer aardige Sammie en opa van Enne Koens. De regels van drie van Marjolijn Hoff, eerder dit jaar goed voor de Woutertje Pieterseprijs, heeft het terecht niet verder dan een eervolle vermelding geschopt. Verder een aantal interessante debutanten, waaronder Jonge Vlieger van Ellen van Velzen en het interessante Broergeheim van Emiel de Wild, die Zilver heeft gekregen. Bette Westera krijgt haar tweede Zilveren Griffel voor het geestige Held op sokken. En de mooi uitgegeven bloemlezing Ik zoek een woord van Hans en Monique Hagen ook. Kinderpoëzie doen we volgens de jury ook te weinig aan. Daar hebben ze een punt.

Overzicht van de bekroningen vindt u hier.

vrijdag 16 mei 2014

Waarom ik tegen jeugdliteratuur voor bovenbouwleerlingen ben

Ik ben niet voor jeugdliteratuur in de bovenbouw; ik ben voor het wegvallen van dat malle onderscheid. Er is in de volwassenenkast genoeg waar 'jeugdliteratuur' op had moeten staan (Giphart) en tussen de jongerenboeken wemelt het van de titels die door dat label tekort worden gedaan (Floortje Zwigtman, John Green). Het komt voor dat je bij het vak Engels wel fantasy mag lezen, maar bij Nederlands geen jeugdliteratuur. Idioot. Leraren lezen te weinig moderne literatuur, doen nauwelijks mee aan het broodnodige debat daarover en kijken te veel naar marketingkreten op achterflappen. Maar het ergste: dat er onder leesbevorderaars een sfeer is ontstaan dat je tot je vijfentwintigste van die weinig uitdagende young adult of crossover zou moeten lezen. Aangezien je na je vijfentwintigste werkt en kindert, kom je nooit meer aan Kafka toe. Vanaf je zestiende moet je dus grote literatuur lezen. Als we het daar over eens zijn, hoeft alleen nog dat vooroordeel weg dat jeugdliteratuur niet groot kan zijn.

PS: Ik zou zelf helemaal de andere kant op willen. Waarom moeten jongeren eigenlijk die provinciale Nederlandse literatuur lezen, waar nauwelijks genoeg hoogtepunten in te ontdekken zijn om een canon mee te vullen? Waarom niet een vak wereldliteratuur? Met meer dan genoeg ruimte voor iedere jonge lezer om dat ene boek te vinden dat écht bij hem of haar past?

dinsdag 13 mei 2014

Nieuwe Vlaamse prijs: de Gouden Poëziemedaille

In België is er een nieuwe prijs: de Gouden Poëziemedaille. Alle kandidaten voor de eerste bekroning, die morgen op 14 mei bekend wordt gemaakt, zijn Nederlandse dichters: Ted van Lieshout, Edward van de Vendel, Jaap Robben en Bette Westera. Een vakjury kiest de winnaar uit een poëziebundel van de afgelopen twee jaar. Kinderjury's gaan beste gedichten aanwijzen, als ik het goed begrijp uit de genomineerde boeken. Die worden op posters in scholen opgehangen. Of een vakjury ervoor kan zorgen dat kinderen meer gedichten gaan lezen betwijfel ik; maar dat posters in klassen ophangen werkt, weet ik zeker. Goed idee. Zouden we hier ook moeten doen. En met die kinderjury's zorg je er meteen voor dat het juiste gedicht de juiste prijs wint: aandacht. Want een muurgedicht is het beste alternatief op uit het raam staren.

maandag 3 maart 2014

Interessant in maart 2014

Een Woutertje Pieterse deze week. Als elk jaar volkomen onvoorspelbaar wie ermee naar huis gaat. Een prijs waar veel over gepraat wordt, overigens zonder veel invloed te hebben op succes en verkoop. Verder interessant in maart? Alle beroemde schrijvers drinken, behalve ik (Eenhoorn) vanwege de titel. Aadje piraatje moet nog steeds in bad en ik sprak eerder positief over Lisa Boersen, waarvan De stemmenslurper deze maand verschijnt (Gottmer). Van (te) veelschrijver Kevin Brooks verschijnt Bunkerdagboek (Harmonie), schijnt erg goed te zijn maar dat hoor ik over Brooks, die zijn geweldige eerste boeken niet evenaarde, elke keer. Maar misschien is het dit keer wel waar. De liefhebbers van Isol, hoor ik tot nu toe niet bij, kunnen hun hart ophalen aan Mijn moeder is een stekelvarken. In april is de filosofiemaand. Daarop vooruitlopend verschijnen Lieve Stine, weet jij het? van Stine Jensen (Kluitman) en Grote gedachten van Jenny van der Molen (Ploegsma). Ingrid Godon en Toon Tellegen hebben opnieuw een project samen: Ik denk. Hun vorige gezamenlijke project was érg mooi, maar niet voor kinderen. Paul van Loon verving in de oude Griezelbussen de illustraties, de te griezelig zouden zijn. Van deze vernieuwde serie verschijnt Griezelbus 5. Nog niet gezien: Soms laat ik je even achter, de nieuwe Daan Remmerts de Vries, die in februari zou komen. Nog steeds benieuwd. Elmer bestaat vijfentwintig jaar, en hij beleeft een nieuw avontuur in Elmer en de walvissen (Van Goor). Bij dezelfde uitgeverij wordt de serie Divergent afgerond met een derde deel en een boek bij de film. Zelf niet zo veel mee, maar schijnt bij jongeren wel wat te doen.

zaterdag 15 februari 2014

***** (5) voor Sjoerd Kuyper Hotel de grote L

Omringd door 'drie krankzinnige meiden en drie halfdode mannen' woont de moederloze Kos in het duinhotel van zijn vader. Het is voorjaar en het hotel krijgt een nieuwe naam. Ze zijn al bij de L. Maar eerst maakt hij nog even een bijna onmogelijk doelpunt voor de ogen van Isabel én een Ajax-scout. Kortom: zo'n dag 'om je naam met een spuitbus op de maan te zetten'. Van blijdschap krijgt zijn kettingrokende en bierdrinkende vader een hartaanval.

Dan gaat alles verkeerd. Vooral voor Kos, die het moet zien te redden met zijn drie rare zussen, waar hij niets, maar dan ook niets van begrijpt. Hij lucht zijn hart op de oude taperecorder van Walput, de kok van het hotel. Het liefst zou hij God zelf spreken. 'Maar als God bestaat, heeft hij ook de meisjes geschapen en met zo iemand praat ik liever niet.'

Je kunt blijven citeren uit Hotel de grote L van Sjoerd Kuyper (1952). Liefde en dood, man en vrouw, seks en houden van, held zijn en niet durven, proza en poëzie, diepe gedachten en kolder: Kuyper gooit al zijn favoriete thema's door en over elkaar in een wilde kruiwagenrace over een hobbelig traject. Dat heeft hij vaker gedaan, maar dit keer houdt hij alles binnenboord.

Want als Kuyper schrijft, dan is het met beide hartkleppen open, op leven en dood. Gaat het met hem niet goed, dan ook niet met zijn proza. En het gíng de afgelopen jaren een paar keer niet goed. Kuyper mag een virtuoos taaljongleur zijn, een feilloos evenwichtskunstenaar is hij niet.

Nu had hij ook wel wat te verhapstukken. Hij dacht, de zestig naderend, te mogen terugkijken op een mooi oeuvre van zo'n vijftig titels. Hoogtepunten waren Het zakmes (1981/1991), Majesteit, Uw ontbijt (1988), De rode zwaan (1996) en zijn zeer gewaardeerde serie voorleesboeken voor kleuters, waarvan Robin en God (1995) een Gouden Griffel kreeg. Toch bleek er ineens bijna niets meer van te koop, vond hij wat er over was in de ramsj en toonden zijn uitgevers in zijn ogen alleen nog belangstelling voor nieuwe series, die lekker makkelijk in de markt liggen.

Kuyper heeft er in een geruchtmakende lezing geen geheim van gemaakt: ze konden allemaal zijn rug op, die uitgevers. Hij verdiende zijn geld liever met het maken van musicals en films. En dat was te merken. Over Morrison krijgt een zusje (2008) en Mijn opa de bankrover (2011) geen gemopper, maar serieus nieuw werk kwam nauwelijks meer van de grond. Met het malle voorlichtingssprookje voor pubers Het hart en het mes (2004) als dieptepunt. Alleen zijn gedichten bleven krachtig als altijd.

Twee jaar geleden was er ineens bij een nieuwe uitgever een nieuwe Robin: O rode papaver, boem pats knal. Overrompelend vrolijk, ontroerend wijs, bulkend van geluk. Kort daarna kreeg hij, als om alles goed te maken, de Theo Thijssenprijs voor zijn hele oeuvre.

Toch ontbrak er nog iets, maar niemand wist wat. Tot vandaag dan, want nu is er Hotel de grote L. Kos heeft de innerlijke strijd, de worsteling die Robin mist, die Kuyperiaanse drang om alles tegelijk te willen zijn: gelukkig en verdrietig, bang en moedig, vol branie en verlegen, held en kluns, leugen en waarheid, hoffelijke geliefde en stoere lul.

En hoe komisch de ontwikkelingen oppervlakkig bezien ook lijken, álles is dubbel en dubbelzinnig, tot de titel aan toe. De vader, die zo veel schulden heeft dat het hotel over een week failliet verklaard zal worden. De vier verliefde kinderen. Libbie op de suïcidale dichter Felix. Briek op de aanvoerder van het Tuvaluaanse jeugdelftal. De kleine Pel op een zeerob. Kos moet alles in zijn eentje oplossen. Uiteindelijk doet hij dat door als een meisje verkleed met de pruik van zijn overleden moeder mee te doen aan dezelfde missverkiezing als zijn geliefde Isabel.

Is Hotel de grote L écht zijn allerbeste? Dat blijft er in het hele boek om spannen, zo erg dat het lijkt of Kuyper het erom doet. Alleen aan het eind voel je even dat hij alles wat hij in gang heeft gezet bijna niet meer kan beteugelen en dreigt het verhaal even een houterige zwart-witfilm met te veel gooi- en smijtwerk te worden. Gelukkig maakt hij er dan razendsnel een glorieus eind aan.

Maar waar hebben we het over. Liever citeren we nog wat. 'Je kunt het leukste meisje ter wereld hebben, zet er twee andere bij en je hebt drie trutten.' 'Alsof je je hand in een croissant steekt.' 'Bij dieren zijn mannetjes ook de mooiste vrouwtjes.' Dit proza is onweerstaanbaar. Je kunt niet anders concluderen dat Kuyper een geboren schrijver voor puberjongens is, maar wel een die daar kennelijk eerst zestig voor moest worden.

***** (5)
Hotel de grote L
Sjoerd Kuyper
Lemniscaat, 228 pagina's, € 7,50
ISBN 9789047705420
Vanaf 12 jaar

zaterdag 1 februari 2014

Interessant in februari 2014

We houden nog even Hotel de grote L erin want die is net uit en nog niet door iedereen besproken. Verder een spannende maand met een nieuwe Almond, De jongen die met piranha's zwom, een nieuwe Daan Remmerts de Vries en Zapp Mattheus van Simon van der Geest. Er komt een nieuwe vertaling van Jenny de Jonge, Wat ik weet. Een vertaalster die ik altijd in de gaten houd. Ik ben benieuwd naar Mevrouw Wit Konijn, het verhaal over Alice in Wonderland door de ogen van de partner van het meest tot de verbeelding sprekende personage. Ik zit al een week te achten op de nieuwe young adult van Lemniscaat Ik. Youp van 't Hek probeert het met wéér een andere illustrator: Marije Tolman. Maar wordt hij daar zelf minder oubollig van? Ten slotte brengt De Fontein Sjakie en de glazen lift uit 1972 opnieuw uit. Nog altijd blijft het gek dat dit verhaal zo ontzettend lijkt op Abeltje van onze eigen Annie M.G. Schmidt uit 1953. Ten slotte is er voor liefhebbers een nieuwe Tosca Menten, Expeditie B.U.L.K.. De vertraagde Aadje piraatje moet in bad verschijnt.

Polare is niet 'het' probleem van 'de' markt

In eerdere opmerkingen van mijn kant leek het misschien dat ik niet verdrietig ben over het verdwijnen van twee boekhandels waar ik al mijn hele leven kom. Dan ben ik wel. Selexyz en daarna Polare hebben Kooyker en De Slegte kapot gemaakt. Voor veel mensen is de zaterdag niet meer hetzelfde. Maar ik snap de reacties niet. Boeken bestaan niet bij gratie van de boekhandel. De boekhandel bestaat bij gratie van boeken. Dat de boekenmarkt krimpt zou geen failliet hoeven betekenen. De kinderboekenmarkt groeit zelfs. De vraag is: hoe ga je daarmee om? Dat Polare misschien failliet gaat is treurig, maar vooral voor de mensen die daar werken. Do(e)mdenken en preken in praatprogramma's over 'de' markt en 'het' boek lost niets op. Schrijvers moeten zorgen dat ze ertoe doen voor lezers. Lezers moeten zorgen dat schrijvers dat merken. Bij voorkeur op een stabiele en duurzame manier. Iets anders is er niet.

woensdag 1 januari 2014

Interessant in januari 2014

Januari wordt een leuke maand met onder meer Hotel de grote L van Sjoerd Kuyper, Aadje piraatje moet in bad (Huiberts / Posthuma), de nieuwe Dirk Weber (De goochelaar, de geit en ik), Grote gedachten van Jenny van der Molen, Klein verhaal van de liefde van Marit Törnqvist en een nieuw Kareltje-boek van Susanne Rotraut Berner. Voor de allerkleinsten wordt het veel Kikker dit jaar, want die wordt 25.