vrijdag 6 juli 2012

Gerrit Komrij had Annie M.G. Schmidt graag maar met 2 gedichten opgenomen

Met kinderboeken deed hij maar één keer wat, maar hij hád er wel wat mee. Vooral als hij eens lekker kon stoken. 'Het liefst zou je willen dat ze allemaal dood waren, zodat de bloemlezer rustig zijn werk kan doen.' Toch bekende hij verrast te zijn over de kwaliteit en ontdekte hij tot zijn blijdschap dat hij na een lang, bloemlezend leven nog als een kind kon lezen.

Tuttebollenkakkieland

Naast Luceberts 'Visser van ma yuan' is ook 'Hallo meneer De Uil' opgenomen in de nieuwe bloemlezing. Goedgekeurd door de grote Komrij. Of hij verstand heeft van kinderpoëzie? Wat een vraag voor 'iemand die feilloos het verschil ziet tussen een goed en een slecht gedicht'.

'Paul van Loon een populaire griezelschrijver? Goh. Wist ik niet.' Gerrit Komrij trekt zijn alleronschuldigste gezicht. Hij windt er geen doekjes om: van de auteurs die hij opnam in zijn laatste bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten, kende hij er bar weinig. 'Zelfs niet van naam.'

Die kinderdichters kunnen voortaan niettemin pronken op het Kinderboekenbal met een cum laude van Komrij, als ze tenminste nog in leven zijn. Hieronijmus van Alphen, Gerard Berends, J.P. Heije, Sjoerd Kuyper, Annie M.G. Schmidt, David Tomkins en Willem Wilmink werden met het hoogst haalbare aantal van tien vastgelegd voor het nageslacht.

Zijn persoonlijke favoriet J.J.A. Gouverneur (1809-1189), die van 'Het roodborstje pikt aan het venster: tin! tin!', zit er maar met negen gedichten in, constateert Komrij als hij zijn nieuwste bloemlezing doorbladert. 'Zoals de Mohammedanen zeggen: elk tapijt heeft een weeffout, want alleen Allah is volmaakt.'

Komrij hoopt een dure plicht te hebben ingelost. Want het was kinderdichters al sinds zijn eerste bloemlezing (De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in 1000 en enige gedichten) een doorn in het oog: zelfs de kinderpoëzie van Hans Andreus komt er niet in voor, terwijl de samensteller wel plek maakte voor een tietengedicht van Henk Spaan. Deze lacune maakt Komrij nu eindelijk goed.

Voor zover dat kan dan. Als zijn luchtvaartmaatschappij afgelopen maandag het Dagblad van het Noorden had uitgedeeld in plaats van de Volkskrant, had hij in het vliegtuig naar Nederland kunnen lezen hoe er op internet alweer een relletje is ontstaan.
Ted van Lieshout (7 gedichten), Hans Hagen (4) en zijn vrouw Monique (4, samen met Hans) geven geen toestemming voor hun reeds afgedrukte bijdrage omdat ze volgens hen te laat gevraagd werden en maar 5 euro per gedicht aangeboden kregen. De term 'roofbloemlezing' waart rond op het web.

Gebruikelijke reuring, er is altijd wát met een nieuwe Komrij. Toch lijkt het hem te verbazen. 'Ik ga niet over rechten en geld, maar ik ben ook dichter en ik schrik eerlijk gezegd van dat bedrag en ik wens die mensen natuurlijk per gedicht een miljoen. Alleen zit de wereld, zoals iedereen weet, zo niet in elkaar.'

En verder wil hij ervanaf wezen. Het is de vertrouwde en verfoeide 'ijdeltuiterij' van het dichtersvolk waarmee hij nooit veel heeft opgehad. Weer die onschuldige ogen: 'Het liefst zou je willen dat ze allemaal dood waren, zodat de bloemlezer rustig zijn werk kan doen.'

Hij voelde zich juist vrij als niet-kenner, hij kon lezen op kwaliteit zonder zich druk te maken om reputaties. Paul van Loon? Nooit van gehoord. Toch kon diens gedicht 'Bloeddorst' de toets van de kritiek glansvol weerstaan.

Of de grote Komrij wel geloofwaardig is als bloemlezer voor kinderen? Tikje beledigd: 'Wat een vraag! Doet dat er toe voor iemand die feilloos het verschil tussen een goed en een slecht gedicht kan zien? Ik heb altijd graag als een buitenstaander gewerkt. Ik zie precies wie origineel is in zijn tijd en wie erachteraan loopt.'

Komrij heeft geen verstand van 'die wereldjes', hij heeft verstand van poëzie. En niet zonder pretentie: hij beweert dat hij álle kindergedichten die bibliografisch ontsloten zijn heeft gezien. En natuurlijk deed hij dat niet 'eventjes tussendoor' in die twee weken Koninklijke Bibliotheek afgelopen zomer, zoals op de weblog van Ted van Lieshout wordt gemopperd. Hoewel hij daar natuurlijk wel 'een leeuwendeel' van de 125.000 stuks tellende kindercollectie heeft verstouwd.

'Ik ben al jaren met deze bundel bezig. Annie M.G. Schmidt staat gewoon bij mij op de plank. En ik heb mijn hele leven achttiende-eeuwse en negentiende-eeuwse kinderboeken verzameld. Waarom zou ik in Nederland gaan zitten bloemlezen, als ik het in Portugal kan doen?'

Al met al heeft de speurtocht meer opgeleverd dan hij durfde hopen. Gepland was De Nederlandse kinderpoëzie in 500 en enige gedichten. Bij het controleren van de tweede proef stelde Komrij voor om de verzameling toch maar eens te gaan tellen. 'Waren het er 1300!'

Zijn bewust naïeve werkwijze levert overigens geen wereldschokkende inzichten op. Wie De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten vergelijkt met de gezaghebbende bundel Van Alphen tot Zonderland (Querido, 2000) van Anne de Vries, komt vooral veel bekenden tegen. Komrij biedt meer, veel meer, maar grote ontdekkingen zitten er niet bij.

De snoepjes zijn vooral afkomstig van de onbekende negentiende-eeuwse dichters - een passie van Komrij, die dol is op randfiguren en curiosa. 'Vergeten kleine dichters vind ik het mooist. Er zijn er zo veel meedogenloos van de kruiwagen geduwd en hulpeloos achtergebleven.'

Verder blijft het een heerlijk spel van kijken en vergelijken. 'Hallo meneer De Uil' van Leen Valkenier (1) staat op dezelfde bladzijde als 'Visser van ma yuan' van Lucebert (1). 'Dat soort dingen vind ik aardig en zetten mij aan het denken. Ik heb twaalf luilekkerlandgedichten opgenomen. Dat levert ook interessant vergelijkingsmateriaal op.'

Maar de groten blijven ook bij Komrij de groten. Hij zal met de Vlaming Gerard Berends (1946) of met David Tomkins (1880-1952), van 'De veldmuis, De bosbes en De paddestoelen-poetser', beiden onbekend en goed voor tien gedichten, wellicht nieuwe reputaties vestigen. Maar iets 'rechtzetten' doet hij niet. Vilein: 'Expres slechts twee gedichten van Annie M.G. Schmidt opnemen, met die gedachte heb ik natuurlijk wel gespeeld.'

Het is vooral het geheel dat telt, het tijdbeeld. Vermakelijk zijn de staaltjes van opvoedkunst die vrolijk zingend voorbij trekken: de domineespoëzie, 'de pronte deinende dames' die aan het begin van de vorige eeuw lofgedichten over gras en zon maakten, de geëmancipeerde 'afwasvaders' van de jaren zestig en zeventig en de l'art pour l'art-creaties daarna, die bijna helemaal niet meer willen opvoeden.

'Bijna', doceert Komrij, 'want het is en blijft boodschap, boodschap, boodschap. Dat is misschien het enige kenmerkende verschil met andere poëzie. Je kunt nu eenmaal niet voor kinderen verschijnen met een lier en onbegrijpelijke stanza's neuriën. Kindergedichten zoeken contact met kinderen. Het zou hypocriet zijn het tegendeel te beweren.'

Misschien is dat de enige, piepkleine provocatie die Komrij aan zijn 'reis door Tuttebollekakkieland' (naar een gedicht van Marianne Busser en Ron Schröder, 5) heeft overgehouden. 'Welbeschouwd zou je de meeste kinderen het liefst naar de hel wensen. Wie niet in staat is om met gedichten van rotkinderen aardige te maken, moet direct met de kinderboekenschrijverij ophouden.'

Met grote pret: 'Bovendien kan dat opvoedkundige, zeker in de achttiende en negentiende eeuw, bijzonder grappige vormen aannemen. Onoplettende jongens die van de trap vallen en alles, werkelijk álles breken. Of meisjes die eerst hun vlechten in de fik steken en daarna helemaal in vlammen opgaan. Smullen!'

Uit zijn mond geen kwaad woord dus over de kinderpoëzie. Wat trouwens bij voorbaat mag blijken uit de onverwachte dikte van zijn laatste bloemlezing. Ook dat heeft hem aan het denken gezet over die kunstmatige scheiding tussen kinderpoëzie en andere poëzie. 'Waarom die kinderdichters in een totaal eigen wereld leven, ik weet het niet meer. In de kwaliteit zit het hem niet.'

Nee, nu hij er over nadenkt, vindt hij het wel een mooie afsluiting van zijn bloemlezingen zo. Hij kwam daar in de kelders van de Koninklijke Bibliotheek terug tot de essentie. 'De zon schijnt, regen is nat en de kinderpoëzie bestáát. Na dertig jaar bloemlezen bevind ik me weer bij de kern: de allerdirectste poëzie. Geruststellend om te merken dat ik nog als een kind kan lezen. Dat heeft me wel geraakt.'

Volkskrant, 4 oktober 2007.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen