maandag 22 maart 2010

Opgroeien in de letteren doe je met sprookjes

Opgroeien in de letteren, dat doe je natuurlijk bij ons. Met sprookjes bijvoorbeeld. En liever nog: met sprookjesparodieën, waarin het genre een hak wordt gezet en kinderen lachenderwijs ontdekken dat er überhaupt genres zíjn. Moet je niet té vroeg mee beginnen. De prinses en de paradijstuin is bijvoorbeeld bepaald niet geschikt voor kleuters. Die van mij snapt er in elk geval niets van. Grappig natuurlijk, "die stoute prinsessen" maar al gauw dringt zich de vraag op: "Waarom krijgen ze geen straf, zoals ik als ik stout ben?" De essentie van sprookjes is een heldere moraal, de dood aan de slechterik en het eeuwige geluk aan de goeden. "Ze leefden nog lang en heel ongelukkig" is pas grappig als je het sprookje door en door kent en zelfs al een beetje vervelend begint te vinden. Rond de tien dus. En dat is het jammere altijd maar weer van mensen die onder lezen vooral literair lezen verstaan: ze willen te veel en te vroeg. Neemt niet weg dat dit een prachtig prinsessenboek is, afgedrukt op mooi vormgegeven bladzijden in een harde kaft, mits aan de juiste meisjes op het juiste moment geserveerd. Mijn recensie lees je hier.

4 opmerkingen:

  1. Je ziet het fenomeen altijd maar weer terugkeren: zodra mensen die moeten oordelen over kunst voor kinderen zélf een kind krijgen, gaan de meesten van hen op een gegeven moment dat eigen kind zien als graadmeter.
    Veel van mijn tv-werk is afgekeurd door redacteuren die kinderen hadden in de leeftijdsgroep waarvoor ik schreef en die keken dan naar hun eigen kind: "Is dit iets voor mijn kind? Nee? Dan weg ermee."
    Ik wil niet zeggen dat jij het ook doet, Pjotr, maar het is niet voor het eerst dat jouw kind een prominente rol speelt bij de bespreking van een boek. Ik ben wel benieuwd wat jij zelf als bespreker de toegevoegde waarde vindt van het feit of een boek al of niet specifiek geschikt is voor of genoten wordt door je eigen kind.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Je zou de vraag ook om kunnen draaien. Wat is het verband is tussen ontoegankelijke kunst en kunstenaars die zelf geen kinderen hebben en ook elke keer als de mening van kinderen wordt betrokken in besprekingen beginnen te roepen dat de recensent populistisch bezig is en alle kunstenaars tot klonen van Francine Oomen wil bekeren. Ik zeg niet dat jij dat doet - integendeel, jij bent iemand die op allerlei manieren kind bij kunst betrekt - maar het overkwam me al voor ik kinderen kreeg dat een kindermening altijd verdacht wordt gevonden door mensen die het van kunstsubsidies moeten hebben. Ik zie nogal wat auteurs rondlopen die zo overuidelijk alleen maar iets hebben met het kind als concept en levende kinderen maar lastig vinden.

    Dus... hoezo niets doen met wat ik tijdens het voorlezen in praktijk ervaar?

    Maar ik vind je vraag terecht en vat het op als een waarschuwing. Ik had er zelf een grote hekel aan als mijn voorgangsters buurtkinderen aanhaalden die 'het een geweldig / vreselijk boek vonden'. Echter: dit is geen recensie, maar een weblog. Dit is een ander genre, dit is persoonlijk. Mijn dochter en ik zijn het soms eens en soms niet. Mijn dochter vond het prinsessenboek niet zo geweldig, ik denk dat ik weet waarom, en tóch heb ik het zeer positief besproken. Vergelijk de recensie en mijn blogtekstje maar eens!

    Het juist wel of juist niet opschrijven van individuele reacties van kinderen op boeken die voor hen bedoeld zijn is allebei een symptoom van hetzelfde probleem: we wéten het niet precies en er wordt onvoldoende onderzoek naar gedaan.

    Mijn dochter was hier illustratief bedoeld rond een onderwerp dat wél onderzocht is, namelijk hoe kinderen reageeren op een boek van Tomi Ungerer, 'No kiss for mother' (1973). Volwassenen vonden dit verhaal over een kat die stout was en daarna ook nog eens gemeen deed tegen zijn moeder heel herkenbaar, kinderen juist niet: die snapten niet waarom de kat niet op zijn flikker kreeg.

    Dat soort tegenstellingen interesseren mij.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Juist omdat het om een weblog gaat heb ik de gelegenheid om die vraag op te werpen; bij een recensie in de krant kan dat niet.

    ‘Het overkwam me al voor ik kinderen kreeg dat een kindermening altijd verdacht wordt gevonden door mensen die het van kunstsubsidies moeten hebben. Ik zie nogal wat auteurs rondlopen die zo overduidelijk alleen maar iets hebben met het kind als concept en levende kinderen maar lastig vinden.’
    Een kindermening wordt volgens mij nooit verdacht gevonden door mensen die het van kunstsubsidies moeten hebben, maar kinderen worden door dat soort kunstenaars niet als leidraad of maatstaf genomen. Doe je dat wel, dan ben je bezig met toegepaste kunst en dat heeft een commerciëlere kant dan kunst die onafhankelijk is. In de regel kun je zeggen dat onafhankelijke kunst leidt tot toegepaste kunst en dat toegepaste kunst leidt tot populair gebruik. Dat betekent dat als je het begin van de cyclus niet subsidieert (omdat er nu eenmaal geen commerciële vraag is naar iets dat er niet is), het vervolg ook niet mogelijk is.
    Dat verklaart ook waarom sommige kunstenaars echte kinderen lastig vinden: om tot kunst te kunnen komen – in dit geval kunst voor kinderen – wil je het kind niet zien als consument of buurkind, maar als universeel wezen. Ja, je zou dat inderdaad kunnen zien als: het kind als concept.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Sorry voor deze late reactie op deze zeer interessante reactie, waarvoor dank. Subsidie van het begin van de keten is wel de meest aanstekelijke kijk op subsidiëren die ik in tien jaar gelezen heb. Voedsel voor verdere overpijnzingen en misschien ooit een stuk!

    Ik heb overigens nooit betoogd om het einde van de keten te subsidiëren. De commercie staat mij misschien nog wel meer tegen dan jou. En de commerciëlen schrijven, als je erover doordenkt, natuurlijk óók voor een conceptkind.

    En ben ook niet tegen experiment, integendeel. Ik protesteer alleen wel tegen de dominantie ervan, de afgelopen bijna dertig jaar. En de klakkeloze aanname bij veel recensenten van toen dat het experimenteel en DUS goed was. Dat is geen kritiek op de kunstenaar, maar kritiek op de kritiek.

    Maar ik vind de stap van schrijven voor kinderen naar DUS geen (experimentele) kunst die jij hier maakt ook erg kort. Er is niets mis met meer klassieke kinderliteratuur, die wél op kinderen is gericht, bijvoorbeeld het kind in de schrijver zelf (ik denk hier bij gebrek aan goede moderne voorbeelden natuurlijk weer aan Biegel, Dragt en Schmidt). Ook weer zo'n conceptkind.

    Misschien zouden we moeten gaan werken aan de variatie in kindconcepten. Want ik zou er wel een paar willen ontdekken die tussen de extremen doorwandelen.

    BeantwoordenVerwijderen