zaterdag 24 september 2011

Interview met Jacques Vriens: Schoolmeester zonder klas

Kinderboekenschrijver Jacques Vriens (1946) fietste afgelopen zomer met zijn tweede vrouw Thérèse en zijn kleinkinderen door Den Bosch en belandde bij toeval in de Van Noremborghstraat, waar hij en zijn oudere broer Boy ruim een halve eeuw geleden een hele dag op de stoep had gezeten met twee koffers. Wachtend tot zijn vader en ‘die hoer’ de deur open zouden doen. Hij was toen twaalf jaar oud.

“Mijn moeder had ons in Helmond op de trein gezet, omdat mijn vader weigerde meer alimentatie te betalen. Moesten we maar bij hem gaan wonen en zijn vriendin. Ze lieten ons niet binnen, maar de alimentatie ging wel omhoog.” Kleinzoon Jelle vond het maar een gek verhaal. “Ja, dat kan híj gelukkig zeggen. Mijn moeder heeft de naam van mijn vaders vriendin tot haar dood niet uitgesproken. Er zijn mensen die denken dat ik al die gezinsdrama’s waar ik over schrijf uit mijn duim zuig, maar dat is dus niet zo.”

Vorige week precies vijfendertig jaar geleden verscheen vijfenzeventig kilometer verderop in Abcoude het eerste boek van Jacques Vriens: Die rotschool met die fijne klas. Vriens was dertig, bovenmeester van de plaatselijke openbare basisschool en niemand minder dan Paul Biegel had een jaar eerder zijn manuscript uit de stapel getrokken bij uitgeverij Van Holkema en Warendorf. “Ineens mocht ik Paul tegen Biegel zeggen.”

Het waren de hoogtijdagen van het kinderboek en Vriens was een echte leesmeester. “Tonke Dragt, Dolf Verroen, Thea Beckman. Mijn favoriet was Jaap ter Haar, zijn boek Boris heb ik ontzettend vaak voorgelezen.” Ook al stopte hij met lesgeven om fulltime aan zijn boeken te werken, hij voelt zich nog steeds meer een bewonderaar dan een schrijver. Zijn oudste zoon heet Boris, zijn populairste personage Jaap en de door hem opgerichte school De Kleine Kapitein, naar het beroemdste boek van Biegel. “En ook mijn motto: je moet kapitein zijn van je eigen leven. Kinderen ook! Dat breng ik ze graag bij.”

Breed hadden zijn ouders het niet. Vader Piet had naast een hotel – inspiratie voor de serie De bende van de Korenwolf – een baan als vertegenwoordiger van jenever bij Jansen en Wouterlood. Hij dronk in de kroegen die hij ambtshalve bezocht meer dan hij verkocht. Moeder Nel was na de scheiding niet meer welkom in de kerk en moest vechten voor haar geld. “Ze vond het vreselijk dat ze van mijn vader afhankelijk bleef. Ze begon een pension, maar dat was te klein om van te leven en ze kreeg steeds ruzie met de bewoners. Haar status als alleenstaande moeder hielp ook niet.”

Het gebroken gezin verhuisde uit Helmond naar het ruimdenkende Amsterdam. Van een provinciestadje naar een flat aan de Molenbeekstraat in Amsterdam Zuid. Voor de zestienjarige Jacques was dat “een cultuurschok. Potverdorie!” Om niet te zeggen: het boertje uit Brabant, met de opvallend zachte ‘g’, werd op de HBS gepest en was doodongelukkig.

Hij vertelt over zijn jeugd met warme humor in zijn theatervoorstelling Moeders knie, een kort verhaal vol nostalgische maar ook pijnlijke details over de laatste dagen van zijn moeder. Literair Limburg gaf het ter gelegenheid van zijn jubileum uit in boekvorm, in het Nederlands én in het Limburgs. “In het verzorgingshuis werd ze de Generaal genoemd. Van haar heb ik geleerd me over dingen heen te zetten. Kiezen op elkaar en doorgaan.”

En dat deed hij dus. Na weken vol getreiter auditeerde hij voor het schooltoneelstuk Geleerde dames van Molière en kreeg een hoofdrol. Zijn leraar Nederlands zag zijn acteertalent en vond zijn zachte ‘g’ juist exotisch. Het stuk was een succes en van de ene op de andere dag was hij populair op school. Ongeloofwaardig? Hij heeft het zelf zo meegemaakt. En dus gaat het in zijn boeken ook zo.

Inmiddels heeft Vriens er 73 op zijn naam staan, waarvan hij er 3,5 miljoen verkocht en met 21 de Kinderjury won of daardoor tenminste werden getipt. Hij is bijna meer een merk dan een schrijver. “Haha, mijn uitgever grapt wel eens: zet er Vriens op en het verkoopt. Maar zo simpel is het voor mij absoluut niet. Ik ben geen Griffelauteur, daar heb ik me bij neergelegd, maar ik schrijf toch echt geen pulp.”

De boeken – met titels als Groep acht aan de macht en Meester Jaap – gaan over zijn schooljaren. Er is altijd wat aan de hand, de helden gaan creatief en voortvarend aan de slag. Het woord ‘hoer’ kom je er niet in tegen, wel veel vrolijke vriendschappen, verliefdheden, ruzie, pesten, scheidende ouders, kindermisbruik en kanker. Hoe zwaar de problemen soms ook, een oplossing is er altijd, of tenminste een begin van een oplossing.

Natuurlijk zou hij zijn boeken minder hoopvol kunnen maken door dit soort wendingen weg te laten, maar zo zit hij niet in elkaar. “Als ik een kleuterboek schrijf, zit ik in gedachten in de kring en vertel ik het aan die kinderen. Als ik voor twaalfjarigen schrijf, sta ik weer voor zo’n typische groep acht. Kom dan maar eens met een al te pessimistisch verhaal. Bovendien: het is het leven zoals ík het ken en dit is waar ik goed in ben. Kinderen zuchten bij mijn eindes wel eens: ‘Zo mooi, meneer, zo mooi!’ Dan maar wat minder geliefd bij de critici.”

Een gesprek met Vriens gaat zelden over schrijven, bijna altijd over de kinderen die hij heeft gekend. Hij was zo’n meester die tegen het uitdrukkelijk verbod van zijn directeur in zaagsel de klas in smokkelde om een circusvoorstelling zo echt mogelijk te maken, of verkiezingen organiseerde en de gekozen leerlingen een dag de baas liet zijn om te demonstreren hoe democratie werkt. En daarover wilde schrijven en nergens anders over.

In zijn eerste boek Die rotschool met die fijne klas uit 1976 zit zijn hele oeuvre al verstopt. De chaotische, moderne leraar Jan, die met zijn oude eend vaak te laat voor de les komt en in zijn klas nogal onconventionele oplossingen voor problemen verzint, krijgt het aan de stok met directeur Wijnen. De klas redt op ontroerende wijze de situatie en de ouderwetse bovenmeester moet erkennen dat Jan toch een goede leraar is.

Typerend voor een tijdperk ook, waarin hij een bepalende rol heeft gespeeld: van strenge meesters met de tafels in rijtjes, naar overleggende leraren met de tafels in groepjes. Vriens gaf die strijd voor onderwijsvernieuwing die hij overdag voerde in zijn school, ’s avonds een plek in de jeugdliteratuur. Schoolvermaak is bij hem niet altijd te onderscheiden van een pedagogisch traktaat.

“Vind je dat? Ik niet. Ik laat zien wat er in een doodgewone school gebeurt. Net als Theo Thijssen dat deed in De gelukkige klas. Zoiets had je toen nog niet voor kinderen. Ouders leverden ze bij de deur af en bemoeiden zich verder nergens mee. Er gebeurt zo veel in zo’n jaar, het is de wereld in het klein. Daar wilde ik graag over vertellen. Voor ik begon te schrijven was het was altijd vakantie in kinderboeken. En als ik daar collega’s mee inspireer, dan ben ik daar trots op.”

Hoe kan zo iemand in godsnaam stoppen met lesgeven? “Dat vraag ik me ook nog wel eens af. Maar op een dag was ik niet meer de bovenmeester die de bel luidt aan het eind van de pauze en alle kinderen bij naam kent, maar een mijnheer in een kamertje. Mijn boeken liepen steeds beter. Op een dag zei mijn boekhouder ‘Jacques, je moest het maar eens doen.’ Mijn vrouw en ik dronken er een goed glas wijn op, en dat was dan dat.”

“Midden in de nacht werd ik wakker, de tranen liepen over mijn wangen. Hoe kon ik dit doen? Geen kring meer. Geen dood konijn meer. En dat jongetje, waar het nu eindelijk zo goed mee gaat, hoe moet die straks verder zonder mij? Pas drie maanden later kon ik het mijn collega’s vertellen. Dat ging nog wel, maar toen waren de kinderen aan de beurt. Nee, het was niet gemakkelijk.”

Het zal dus niemand verbazen: de vloer op blijft voor Vriens het mooiste onderdeel van het schrijverschap. Of het nu in een klas is of in een zaal. Als hij daarover praat, krijgt hij lichtjes in zijn ogen. “Ah… zo’n schoolvoorstelling in Culemborg. Ik sta in de coulissen, het licht gaat uit. In een grote stad als Amsterdam wordt het stil, maar hier beginnen kinderen beginnen gelijk te krijsen. Dan denk ik: verdomme nog aan toe, doe open dat gordijn, ik zal jullie eens laten zien wat ik kan. Ik zál jullie stil krijgen!”

Uit de biografie van Jacques Vriens
1946 Geboren in Den Bosch, opgegroeid in Helmond
1962 Verhuist naar Amsterdam
1965- 1968 Gemeentelijke Kweekschool van Amsterdam
1972 Richt school op in Abcoude
1976 Eerste boek Die Rotschool met die fijne klas
1979 Zilveren Griffel voor Zondagmorgen
1984 Richt school op in Bakel, De Kleine Kapitein
1986 Tommie en Lotje
1991 Zilveren Griffel voor Tinus-in-de-war
1993 Stopt met lesgeven
1998 Weg uit de Peel
2009 Televisieserie naar Tien torens diep
2011 Moeders Knie, boek en theatervoorstelling
2011 Musical Bende van de Korenwolf (5 oktober première)
2012 Film Achtste-groepers huilen niet (15 februari première)

De boeken van Jacques Vriens worden uitgegeven door Van Holkema en Warendorf.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen