Posts tonen met het label bewerking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bewerking. Alle posts tonen

maandag 5 juli 2010

**** (4) voor Van der Geest: Dissus

Simon van der Geest is hard op weg om net zo’n carrière tegemoet te gaan als Edward van de Vendel. Deze dichter viel voor het eerst op met zijn Vondelbewerking Gijsbrecht (1998, Querido, Gouden Zoen). Van der Geest, ook in de eerste plaats dichter, scoort na een aantal geslaagde gedichten in bundels van Ted van Lieshout en een in mijn ogen matig debuut Geel gras met een opvallende Homerosbewerking: Dissus. Net als de Gijsbrecht niet bepaald iets waar jong publiek op zit te wachten en desondanks met net zo veel bravoure en uitstraling uitgegeven. Grappig is dat zelfs de verstrekte subsidie uit dezelfde pot komt. Er verandert toch maar weinig aan het kwaliteitskinderboekenfront. Maar verder valt er over Dissus veel goeds te zeggen, ik gaf het vier sterren in de krant. Ik vind Van der Geests gedichten erg goed. Hij weet een bepaalde urgentie te bereiken en schrijft echt voor kerels. Gedichten zonder getrut en getob. Fijn is dat.

Ruim een jaar later wint Simon van der Geest voor Dissus de Gouden Griffel 2011.

vrijdag 15 september 2006

**** (4) voor Frank Groothof Gilgamesj

‘In de buurt van mooie vrouwen
Is de koning niet te houwen
Als de huw’lijksklokken luiden
Duikt-ie boven op de bruiden.’

Zó vertelt theatermaker Frank Groothof samen met zijn vaste tekstdichter Marjet Huiberts het vierduizend jaar oude verhaal van koning Gilgamesj, die onsterfelijk wilde worden: met scabreuze humor, fantasievolle zijpaden en geestige dialogen. In zijn uitbundige versie is de hoofdpersoon een oversekste ADHD’er en vliegen de goden rond in raketten.

Voor wie dat allemaal niet te dol vindt, is er goed nieuws: de succesvolle podiumproducties van de Sesamstraat-ster verschijnen nu ook in boekvorm. Wat dat aan een toch al prachtige theatervoorstelling uit 2003 toevoegt? Niet veel, behalve dat alsnog kennismaken met een onderhoudend én cultureel verantwoord middagje op het pluche nu wel heel verleidelijk is geworden.

Dat is in de tot nu toe enige jeugdversie Koning Gilgamesj van Hans Hagen (Van Goor, 1985, uitverkocht) wel anders. Hagen bleef dicht bij de wetenschappelijke vertaling en schreef een gecondenseerde tekst die Bijbels van toon is en veel vraagt van de voorkennis en het inlevingsvermogen van onervaren lezers, die de emoties en de relaties tussen de hoofdpersonen er maar bij moeten verzinnen.

Hagen laat de onderdanen van Gilgamesj welgeteld één zin klagen dat ze zo hard voor hun ontembare koning moeten werken. Groothofs somt op: Gilgamesj wil een zwembad in de kelder van het paleis, midden in de nacht op survivaltocht, raften op de Eufraat, bungeejumpen boven de Tigris. En een raket met chauffeur. Hagen vertélt dat Gilgamesj te veel vraagt van zijn onderdanen, Groothof laat het zien en voelen: Gilgamesj is een vermakelijke klootzak.

Goed, het klopt niet met de tijd – behalve als je net als de voorin het boek genoemde Zecharia Sitchin gelooft dat de Soemeriërs hun cultuur kregen van ruimtereizigers die zich voordeden als goden – maar juist op deze manier raken onervaren lezers geïnteresseerd in het ‘echte’ verhaal. Want wat is er nu belangrijker: de sterke en nog altijd actuele boodschap vertolken, of trouw blijven aan de voor kinderen soms wat cryptische, wetenschappelijk gereconstrueerde tekst?

Als geen ander weet Groothof daarin de juiste weg te vinden. Hij neemt kinderen serieus en weet met fiks korreltje zout aantrekkelijkheid en diepgang samen te brengen. Hij moet ook wel: waar een kinderboekenschrijver ongestraft zijn publiek een paar pagina’s kan vervelen, gaat een theatermaker meteen op zijn gezicht.

Bovendien is het zeker niet louter lolligheid dat Gilgamesj draaiende houdt. En dat is precies waarom dit een van zijn beste stukken is, vele male beter dan zijn populaire bewerking De Toverfluit van Mozart. Daar draait het alleen maar om leuk verteld slap verhaal vol frivool gedoe. De muziek en de vertalingen van de liedteksten door Harrie Geelen zijn prachtig, maar dat is niet Groothofs verdienste.

Zijn Gilgamesj is een menselijke, tegenstrijdige held. Als zijn vriend Enkidoe in zijn armen sterft denkt hij nog steeds dat hij sterker is dan iedereen en dus ook de dood. Die arrogantie roept ergernis én ontroering op en dat is knap. Het is de tragiek van een onbegrepen branieschopper met een klein hartje. Hij wil het eeuwige leven, maar kan niet van de dag genieten. Die wijsheid vond de echte koning Gilgamesj lang geleden interessant genoeg om voor duizenden jaren met spijkers in klei te laten prikken.

Al wat een boek dáár nog kan toevoegen, is een goedgeschreven wetenschappelijke inleiding door Jan Paul Schutten en natuurlijk de illustraties van Karst-Janneke Rogaar. Jammer dat haar met potlood ingekleurde finelinertekeningen hier en daar wel érg knullig zijn geworden. Ze wilde kindertekeningen nabootsen, maar is daar soms in doorgeschoten. De uitbundige hoeveelheid détails maakt echter veel goed: je kunt tijdens het luisteren heel lang naar haar tekeningen blijven kijken en dat is precies waar ze voor bedoeld zijn.

De sfeer van kindertekeningen is ook om een andere reden slim: het boek krijgt er precies de juiste sfeer mee. Is al die onzin die Gilgamesj doet en meemaakt nou verzonnen of echt gebeurd? En de vermenging van heden en verleden, die sommige critici zo vervelend vinden aan deze theatermaker, komt op deze manier goed tot zijn recht. Rogaar brengt het verhaal terug naar de juiste plek: de uitbundige en juist daarom zo meeslepende fantasiewereld van het groot geworden kind dat Groothof is.

Frank Groothof: Gilgamesj. Met liedteksten van Marjet Huiberts, illustraties van Karst-Janneke Rogaar en een inleiding van Jan Paul Schutten. Nieuw Amsterdam, 80 blz., cd, € 19,95. ISBN: 9046800717. Vanaf 9 jaar.

Frank Groothof: De Toverfluit. Met liedteksten van Harrie Geelen, illustraties van Karst-Janneke Rogaar en een inleiding van Jan Paul Schutten. Nieuw Amsterdam, 64 blz., cd, € 19,95. ISBN: 9046800709. Vanaf 9 jaar.

vrijdag 8 april 2005

**** (4) Agave Kruijssen Vrije val

Een middeleeuws verhaal gaat er bij kinderen altijd wel in. Ten minste, zo lang er ridders, tovenaars en prinsessen in voorkomen. Maar wat als de hoofdpersoon een opgewonden non is, die worstelt met haar geloof? Zoals in het beroemde heiligenleven Beatrijs?

De oplossing blijkt vrij eenvoudig: gewoon in fris Nederlands opschrijven. In Vrije val van Agave Kruijssen komen de twijfels en de verlangens van de verliefde veertienjarige Beatries volstrekt geloofwaardig over. En door de jonge non in een raamvertelling haar avonturen op te laten biechten bij een rondreizende abt, wordt het nog redelijk spannend ook. Want wat zou het enorm zondige geheim zijn, dat ze meteen aan het begin aankondigt?

Kruijssen is nu al een jaar of vijf bezig met het bewerken van de bekendste Middelnederlandse verhalen tot hedendaags proza. De beste tot nu toe is Walewein, naar de overbekende kraker van Penninc en Vostaert. Daarvan is het origineel echter al zo meeslepend, dat het zich vrij gemakkelijk laat navertellen. Knapper is het tot nieuw leven brengen van iets typisch Middeleeuws als een religieus exempel, waarin vrouwen zichzelf om moeilijk te begrijpen redenen met de knoet bewerken.

Kruijssen heeft echt iets met dit verhaal. Haar stem is vele malen overtuigender dan in haar andere boeken. In een emotionele en vurige monoloog die nergens verveelt, trakteert ze haar lezers op authentieke zinnen die er geen doekjes om winden en een paar in al hun eenvoud prachtige metaforen.

Aardig is dat ze nu eindelijk eens een vrouwelijk personage kan uitdiepen. In haar andere ridderboeken, noodzakelijkerwijs echte stoerejongensverhalen, zoals haar andere nieuwe titel Merlijn, probeert ze steevast om vrouwen en meisjes een wat grotere rol te geven. Haar moeders en geliefden komen flets en geforceerd over. Ze had ze er maar beter niet bij kunnen verzinnen.

Dit verhaal weet ze echter stérker te maken dan het Middelnederlandse origineel. Daarin wordt de periode dat Beatries leeft als ongehuwde moeder en als hoer, summier beschreven. Kruijssen geeft haar ondergang in detail weer en maakt zo haar wonderlijke terugkeer in het klooster ook zevenhonderd jaar na dato bijzonder ontroerend..

Na zo’n prestatie neem je een paar minder geslaagde elementen op de koop toe. Zoals haar mislukte poging om haar lezers te laten griezelen met nachtmerries over de hel en haar keuze voor die eeuwige ongeloofwaardige ridderboekennamen als Berend, Bernt en Koen.

Nee, in esthetisch opzicht is de berijmde vertaling van Willem Wilmink uit 1995 nog altijd wat knapper. Maar die is voor breed publiek een stuk minder aantrekkelijk. Met haar bevlogen hervertelling in gewoon mooi Nederlands heeft Kruijssen een bijna perfecte middenweg gevonden. Vrije val is een van de meest geslaagde delen van de serie geworden.