Posts tonen met het label kinderboek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kinderboek. Alle posts tonen

zaterdag 9 juni 2018

Weekgreep #18-12: Barnett en Jon Klassen, nu nóg minimalistischer, de nieuwe Erna Sassen en een Escapeboek.

1. Mac Barnett en Jon KlassenVierkant
Na hun geestige serie over hoeden en het geslaagde prentenboek De wolf, de eend en de muis zijn Mac Barnett en Jon Klassen terug bij hun nu nóg minimalistischer serie over vormen. Er staat niet eens een titel op. Het is een vierkant en zo heet het ook. Vorig jaar keken we naar driehoek, die een gemene grap ging uithalen met vierkant. Nu zien we hoe het hardwerkende vierkant, die als een ware Sisyphos blokken de berg opduwt, door zijn vriend cirkel voor een artistiek genie wordt uitgemaakt. Daar is vierkant danig van in de war. Ik heb het werk van Klassen wel eens somber genoemd en daar sindsdien een leuke mailwisseling over met zijn uitgeverij. Ik zie twee stromen in zijn werk: de wat gedetailleerdere boeken zoals de hoedenserie en De wolf, de eend en de muis en de minimalistische. In het meer gedetailleerde werk vind ik het sombere kleurgebruik afleiden van de humor. Juist in die minimalistische valt precies hetzelfde kleurgebruik veel minder op, misschien omdat de volstrekte eenvoud gerechtvaardigd en functioneel is: we zitten nog net niet naar een avontuur in platland te kijken. In die wereld komt juist de humor meer naar voren. En trouwens ook de knappe nuances, levendigheid en diepte die Klassen met minimale middelen weet aan te brengen. Ik vind dit zijn beste werk. Wie trouwens meer wil weten over de filosofie en werkwijze van deze twee interessante auteurs, kan ze op 15 of 16 juni in Nederland ontmoeten.

2. Erna Sassen Een indiaan als jij en ik
Erna Sassen krijgt na haar knappe jongerenboeken, in het bijzonder het zeer sterke Er is geen vorm waarin ik pas de extra zorg en aandacht die ze verdient. De vormgeving van Een indiaan als jij en ik, met een matzwart omslag en sterk binnenwerk van Martijn van der Linden, is prachtig. Inhoudelijk valt het boek tegen. Waar ze voor jongeren precies de goede, ogenschijnlijk luchtige toon aanslaat, is de manier waarop ze basisschoolkinderen aanspreekt te veel op de knieën. De kracht van haar proza is de rijkdom aan details en emoties en de subtiele, tegendraadse onderstroom waarin zo veel te ontdekken valt. Die rijkdom heb ik in dit boek niet kunnen ontdekken. Korte, uitleggerige zinnen die niet lekker samenwerken, een brave en overbezorgde hoofdpersoon: ik had de grootste moeite om hier doorheen te komen.

3. Ivan Tapia en Montse Linde Escapeboek
Wat een leuk idee: de populaire escaperoom in boekvorm. Om aan dit verhaal te ontsnappen moet de lezer allerlei puzzels oplossen. De uitkomst van het raadsel vertelt je op welke bladzijde je verder moet. Niet van begin tot eind lezen dus, maar kris kras. Doet mij denken aan mijn lievelingsserie in de jaren tachtig: Kies je eigen avontuur. Je zou, in dit geval, twee of drie van dit soort boeken moeten hebben en dan tegen elkaar lezen. Om het echt spannend te maken.


zaterdag 26 mei 2018

Weekgreep #18-11: voodooboek met horrorhumor, De Tunnels van Dave Eggers en Naar de rand van de wereld van Dirk Weber

1. Jeff Strand Geen beste dag voor voodoo
Tyler Churchill wil, aangezet door zijn een tikkeltje psychotische boezemvriend Adam, wraak nemen op hun geschiedenisleraar. Adam regelt een voodoopop. Die werkt iets beter dan verwacht. Hoe vertel ik niet, want dan is de grap eraf. Ik pakte dit boek op in de categorie Meer Meters Maken Met Lezen en vanwege het strak vormgegeven omslag, maar dit boek is meer dan een lekkere weglezer. Aanstekelijk grappig, moeilijk weg te leggen.

2. Dave Eggers De Tunnels
Een kinderboek schrijft men door de zinnen kort te houden en de hoofdpersoon bijna elke zin bij naam te noemen. Dat lijkt bestsellerauteur Dave Eggers tenminste te denken in zijn enigszins teleurstellende kinderboekendebuut. Gran Bloempjes is tegen zijn zin verhuisd en ontdekt in zijn nieuwe dorp samen met zijn nieuwe vriendin een ondergronds netwerk vol mysterieuze en gevaarlijke wereld. Ze gaan het dorp redden. De kortademige, irritatie oproepende vertaling valt de auteur niet te verwijten, de voorspelbaarheid van het verhaal zeker wel.

3. Dirk Weber Naar de rand van de wereld
Het is vier jaar geleden dat het met een Zilveren Griffel bekroonde De goochelaar, de geit en ik verscheen. Auteur Dirk Weber probeert elke keer wat anders en neemt daar ook de tijd voor. Hij beheerst het vak van literair tot thriller en van historisch toekomstroman. Na de Crisis leven mensen in dorpen, zonder techniek. Kennis is verboden. Wie er toch wat mee doet, wordt vreselijk gestraft. Pijnlijk: een tikfout op het, overigens prachtige, omslag. Oh oh Querido.

donderdag 18 juni 2015

Net uit: Wim Bos De bende van Lijp Kot

Een opvallend debuut in de eindeloze stroom geschiedkundige fictie die jaarlijks over kinderhoofden wordt uitgestort (en met plezier geconsumeerd):
De bende van Lijp Kot van Wim Bos, die in het dagelijks leven kinderen rondleidt in historisch Amsterdam. Dat heeft als groot voordeel dat hij weet wat kinderen boeit en dat merk je aan de pittige inhoud van zijn verhaal over visbezorger Pontus die ten onrechte wordt beschuldigd van een moord en terechtkomt bij de bende van Lijp Kot. Bos valt te plaatsen in de buurt van Rob Ruggenberg, die met onverbloemd ruige passages succesvol de gebruikelijke braafheid uit dit populaire genre blaast. En dat is nodig. Jammer genoeg doet Bos wel heel erg zijn best om geschiedenislesjes en authentieke woorden in het spannende verhaal te verwerken, wat de toon nog wat krampachtig maakt.

zaterdag 2 mei 2015

**** (4) voor Akveld & Van der Linden Een aap op de wc

In de online-versie van mijn recensie Een aap op de wc ontbreekt (nog) de laatste alinea van mijn bespreking: 'Het is moeilijk voor te stellen dat er nog iemand rondloopt die van de oorlogsjaren niets af weet. Daar hebben horden jeugdboekenschrijvers wel voor gezorgd. Het ongewone oorlogsboek en al even ongewone dierenboek Een aap op de wc is van al die titels die dit voorjaar uitkomen wel de verrassendste en indrukwekkendste.' Dat je het alvast weet.

donderdag 9 oktober 2014

Titel van het jaar: Hoe ik per ongeluk een boek schreef (Annet Huizing)

Dit debuut van Annet Huizing gaat voor de titel van het jaar: Hoe ik per ongeluk een boek schreef. Het had Hoe ik per ongeluk een briljante titel bedacht moeten heten. Katinka heeft een beroemde oude romanschrijfster als buurvrouw. Ze leert hoe het moet en schrijft al doende, dus, per ongeluk een boek. Annet Huizing schrijft daar dan trouwens ook weer onderhoudend over op haar blog.

dinsdag 9 september 2014

Prachtige heruitgave Toon Tellegen Is er dan niemand boos?

Een liefhebberige uitstraling, dat hadden de petieterige bundeltjes dierenverhalen van Toon Tellegen in de jaren negentig van de vorige eeuw. Hij werd bejubeld en won Gouden Griffels, maar zijn boeken deden het vooral goed bij jongeren en volwassenen. Als parabels dus. Pas de laatste jaren zien zijn boeken er steeds meer als kinderboeken uit, zoals deze prachtige heruitgave van een aantal verhalen uit Is er dan niemand boos? uit 2002. Die was met illustraties van Annemarie van Haeringen al een stuk toegankelijker dan zijn eerdere boeken, maar de Bourgondische illustrator Marc Boutavant maakt er helemaal wat prachtigs van. Grote letters, stevig in de hand en fijne plaatjes.

vrijdag 5 september 2014

Jenny Smelink-IBBYprijs voor Hans Hagen en Philip Hopman Het hanengevecht

Het is niet zo'n hele bekende prijs, maar wel eentje die dit jaar wat extra aandacht verdient: de Jenny Smelink-IBBYprijs, bedoeld voor boeken die aandacht besteden aan andere culturen, gaat dit jaar naar Het hanengevecht van Hans Hagen en Philip Hopman. En terecht. Juist omdat dit boek de gebruikelijke, tenenkrommende derdewereldvlijt van dit genre met kop en schouders overstijgt. Nog steeds een aanrader, dit boek.

maandag 1 juli 2013

*** (3) voor Ilse Bos en Linde Faas Troep

Dertien kinderen wonen op woonboot Blauwtje bij het Vieze Landje in de Oude Haven: Pola, Vladimir, Wanja, Wolke, Nillem, Knut, Aznar, Mo, Wally, Trijn, Hidde, Flip en Tuitje. Taatje is de moeder van Pola, Flip en Tuitje en de pleegmoeder van de rest. Verder hebben we nog Willem Vanderwerff, de vader van Pola en duikbootkapitein de Witt, die met de moeder van Taatje de vader van Wanja is, en een hele rits vermisten en afwezigen.

Volgt u het nog? Geeft niet hoor, want inderdaad: juf en journaliste Ilse Bos (1966) maakt het in haar even rommelige als interessante kinderboekendebuut Troep wel erg bont. Troep gaat gebukt onder te veel te's.

Het belangrijkste probleem: te veel personages. Ook na driehonderd bladzijden blijft de lijst achterin onontbeerlijk. Dat zou niet erg zijn, ware het noodzakelijk. Maar: slechts vier of vijf kinderen spelen een serieuze rol, de rest staat er een beetje bij voor de sfeer en is alleen aan de hand van kleding en haarkleur uit elkaar te houden. Ook illustrator Linde Faas (1985) weet ze geen eigen gezicht te geven.

Vervolgens zijn de gebeurtenissen te langdradig en veel te ingewikkeld. Pleegmoeder Taatje is in het buitenland op zoek naar Willem, vader van haar oudste en de kinderen zorgen voor zichzelf. Tot mevrouw Wijfjes van het Zorgbureau zich ermee begint te bemoeien en een inspectiebezoek aankondigt. De toevallig opduikende mislukte acteur Maarten, de broer van Willem, treedt op als invalvader.

Als dat achter de rug is, ontwikkelt zich een wilde zoektocht in verschillende teams naar een nieuwe verstopplek en nog maar een vader. Ze worden daarbij geholpen door een geheimzinnig pissebeddenvolkje, dat kan praten en andere gedaanten aannemen. Ze hebben misschien iets te maken met de gaten die overal in de stad ontstaan.

Op dat punt krijgt het verhaal ook nog psychedelische trekken. De Onbedoelden, zoals de kriebeldiertjes zich noemen, sluiten zich aan bij het verkeerde team, want ze doen altijd precies wat níet de bedoeling is. Ze veranderen zich in zwervers en in skaters die zich verstoppen tussen échte zwervers in de nieuwe metrotunnels.

De kinderen verdwalen, de boel loopt onder water en in die heksenketel lijkt een van de kinderen even te bestaan uit mollen. Na heel veel heen-en-weer-gewandel tussen de woonboot en het buurtschooltje is het logistieke hoogtepunt dat Blauwtje honderd meter wordt verplaatst en iedereen weer naar school mag.

Toch is Troep ook een interessant boek. De thematiek - het redden zonder ouders, de gespannen vriendschap tussen gelijken die hun eigen boontjes doppen, de hoogstpersoonlijke bijdrage van ieder individu aan de groep - is klassiek in de kinderliteratuur, maar verveelt in dit geval zeker niet.

Bos dwingt ondanks alles als verteller toch ook bewondering af. Haar manier van schrijven - los, ironisch, geestig, scherp - en haar warme pleidooi voor al die levende wezens die geen plek hebben in de maatschappij, raakt wel degelijk een snaar. Zoals in de woorden van Maarten, die op een van zijn beste momenten denkt: 'Als zulke beestjes mochten bestaan, dan gold dat voor hemzelf misschien ook wel.'

En zo ontpopt Troep, voor wie het geduld weet te bewaren, zich een beetje te laat nog als een mooi pleidooi tegen altijd maar ergens een bedoeling mee hebben. Naar aanleiding van haar korte verhalen in Hollands Maandblad kreeg Bos al een schrijversbeurs. Het componeren van een groter geheel bleek ondanks het sterke idee technisch een brug te ver. Alleen om die reden hier niet meer dan drie sterren.

*** (3)
Troep
Ilse Bos
Lemniscaat, 333 pagina's, € 16,95.
ISBN 9789047705406
Vanaf 10 jaar

maandag 3 juni 2013

**** (4) Anke Kranendonk Lynn!



De bespreking van Lynn! was onderdeel van een grotere recensie. Hieronder (bijna) alleen Lynn:

"Meteen met zijn debuut komt hij al in de buurt bij Anke Kranendonk, bedreven in dit genre, die dit voorjaar haar twintigjarige schrijverschap viert met het indringende Lynn! (****, Lemniscaat, vanaf 11 jaar, € 14,95). Daarin gebeurt zoals in de meeste Nederlandse realistische puberboeken vrijwel niets en toch heel veel: bij de meisjes gaat het erom bij wie je hoort en of je al tieten hebt, bij de jongens of je ze al zag.

Allebei de auteurs weten met doordachte opbouw en lekkere zinnen dat populaire niveau tegelijkertijd vast te houden én op een ontroerende manier te overstijgen. Kranendonk doet dat wel iets subtieler dan De Wild. Ook al is het spannendste moment niet meer dan een bezoek aan de kermis: met Linda, die liever Lynn genoemd wordt, maakt Kranendonk een mooi hoogtepunt in haar oeuvre, dat nu eindelijk wel eens door een of andere kinderboekenjury verzilverd mag worden.

Joeri blijkt wijzer dan zijn vader én zijn moeder, Lynn slaagt erin om niet meer te willen zijn dan zichzelf. En dat is ook niet niets. De bibliotheek van de bovenbouw van de basisschool, de laatste jaren bepaald niet met kwaliteit verwend, heeft er twee prachtpersonages bij."

**** (4) Emiel de Wild Broergeheim



Als de elfjarige Joeri thuiskomt na een onverwachte logeerpartij van drie weken bij oma Bos is zijn grote broer er niet meer. Zijn thuis trouwens ook niet. Tijdens zijn afwezigheid hebben zijn ouders alles verplaatst naar een geheim adres in een andere stad. Alles, behalve de spullen van zijn broer. Joeri tast volledig in het duister en begint hem brieven te schrijven.

Dat betekent even doorbijten voor beroepsboekenbeoordelaars. Broergeheim, het kinderboekendebuut van toneelschrijver Emiel de Wild (1978), is de eerste hoofdstukken behoorlijk dertien in een dozijn. Een verontwaardigde ik-verteller, veel gedoe met doorhalingen in de ‘zelf geschreven’ tekst, matige vormgeving en natuurlijk dat eindeloze uitstellen van de ontknoping, waar het hele boek vanaf hangt. Zoiets valt bijna altijd tegen.

Maar deze keer niet. Want eigenlijk draait Broergeheim helemaal niet om dat geheim. De Wild heeft het over de veel grotere vraag: wat dóe je als er van de ene op de andere dag niet meer over een geliefde gepraat wordt? Hoe los je een probleem op dat zelfs te groot is voor je vader en moeder?

Joeri adoreert zijn broer maar voelt zich ook verantwoordelijk voor hem en maakt zich grote zorgen. Eerst probeert hij hem telefonisch te bereiken en als dat niet lukt reist hij naar het oude huis met alleen geld voor een enkeltje. Hij verliest daarbij een schoen als hij zich door de treindeuren wurmt. Ook na dat avontuur zwijgen zijn ouders. Wat bezielt die mensen? Wat heeft Stefan gedaan? Leeft hij nog?

Ondertussen moet hij ook nog zijn draai vinden in een nieuwe klas en met Lonneke, het wat eenzame meisje met de fonkelogen die ook een broertje kwijt is en daarom heel erg graag zijn vriendin wil zijn. De Wild roept een broeierige sfeer van aantrekken en afstoten op tussen de twee en bewijst daarmee nog wel het best dat hij wat in zijn mars heeft.

Meteen met zijn debuut komt hij al in de buurt bij Anke Kranendonk, bedreven in dit genre, die dit voorjaar haar twintigjarige schrijverschap viert met het indringende Lynn! (****, Lemniscaat, vanaf 11 jaar, € 14,95). Daarin gebeurt zoals in de meeste Nederlandse realistische puberboeken vrijwel niets en toch heel veel: bij de meisjes gaat het erom bij wie je hoort en of je al tieten hebt, bij de jongens of je ze al zag.

Allebei de auteurs weten met doordachte opbouw en lekkere zinnen dat populaire niveau tegelijkertijd vast te houden én op een ontroerende manier te overstijgen. Kranendonk doet dat wel iets subtieler dan De Wild. Ook al is het spannendste moment niet meer dan een bezoek aan de kermis: met Linda, die liever Lynn genoemd wordt, maakt Kranendonk een mooi hoogtepunt in haar oeuvre, dat nu eindelijk wel eens door een of andere kinderboekenjury verzilverd mag worden.

De Wild (1978) heeft minder humor dan Kranendonk, maar geeft wel meer het gevoel dat – hoe eenvoudig en vlot ook – geen woord er voor niets staat. De Wild daagt zijn lezers uit om na te denken over taboes. Kun je een familielid dat iets vreselijks doet in de steek laten? Kun je ophouden met van iemand te houden? En ben je niet per definitie medeverantwoordelijk? Een kinderboek kan nauwelijks actueler zijn.

Joeri blijkt wijzer dan zijn vader én zijn moeder, Lynn slaagt erin om niet meer te willen zijn dan zichzelf. En dat is ook niet niets. De bibliotheek van de bovenbouw van de basisschool, de laatste jaren bepaald niet met kwaliteit verwend, heeft er twee prachtpersonages bij.

**** (4)
Broergeheim
Emiel de Wild
Leopold, 168 pagina’s, € 14,95
ISBN 9789025862046
Vanaf 11 jaar

maandag 20 mei 2013

**** (4) voor Schutten / Rieder Het raadsel van alles wat leeft


Nog steeds zo’n een op de vijf van de Nederlanders gelooft in het scheppingsverhaal, zo blijkt uit opinieonderzoek van Synovate. En aangezien drie op de vijf vertrouwt op de evolutieleer, twijfelt dus nog altijd bijna de helft van ons land aan een van de meest succesvolle ontdekkingen van de moderne wetenschap.

Reden voor Jan Paul Schutten (Gouden Griffel 2008) de evolutietheorie vurig te verdedigen in Het raadsel van alles wat leeft. Hij gaat een stuk verder dan de principes uitleggen, want dat hebben al genoeg mensen gedaan. Voor vijanden en fans van de evolutie zijn er prangender vragen. Hoe wéten we dit allemaal eigenlijk? En hoeveel bewijs is er nodig om een theorie wáár te maken?

Het goede van Schutten is dat hij in zijn twee duimen dikke meesterproef als schrijver van informatieve boeken de overweldigend rijke werkelijkheid ook overweldigend rijk laat zijn. Je stap voor stap voorstellen hoe dode materie ‘zomaar’ tot leven kon komen en hoe er in honderden miljoenen jaren uit bacteriën uiteindelijk makrelen, merels en mensen zijn ontstaan is namelijk zo makkelijk niet.

In Het raadsel van alles wat leeft trekken duizelingwekkende eeuwigheden als een op strategische plekken vertraagde film aan de lezer voorbij. Zelfs dan blijft het tempo hoog: ook aankomende gymnasiasten zullen er even voor moeten gaan zitten als Schutten begint te jongleren met getallen en praktijkvoorbeelden en zich via eindeloos veel fossielen en onderzoeken een weg baant door de Darwinvinken, DNA en RNA, seksuele selectie en zelfzuchtige genen.

Maar dan bekijk je de wereld wel met andere ogen. Wij bestaan potdorie pás 200.000 jaar! We stammen helemaal niet af van de apen! En de werkelijke winnaars van de evolutie zijn bacteriën en andere eencelligen, die zich onvoorstelbaar veel generaties suf hebben moeten delen om zoiets even nietigs als briljants uit te vinden als de flagellum, het buitenboordaandrijfzweepje waarmee het wilde leven pas echt begon.

In al dat enthousiasme schuilt wel een kleine zwakte van de auteur. Om veel mensen te bereiken moet hij toeteren, grapjes verzinnen en objectieve dingen zo persoonlijk mogelijk vertellen. Vaak pakt dat goed uit, soms schiet hij er in door. Vaststellen dat het knap is dat bepaalde bacteriën kunnen overleven in giftige, dodelijk hete of juist ijskoude poelen is wel erg vanuit de mens gedacht: voor die bacteriën is die poel helemaal niet giftig, heet of koud en daar draait het in de evolutie nu net om.

Apert onjuist is zijn emotionele uitroep bij het afronden van zijn betoog dat ‘een theorie ook een vaststaand feit kan zijn’. Daar ziet hij toch even een eeuw wetenschapsfilosofie en in elk geval Karl Popper over het hoofd. Een tekening van een pijp is geen pijp en een theorie is nooit een feit. Dat debat over de evolutieleer is niet voor niets zo lastig.

Misschien moet Schutten maar gauw aan een wetenschapsfilosofisch vervolg beginnen. De tijd is er rijp voor: goed geschreven non-fictie is in de mode. Het genre krijgt steeds meer aandacht en prijzen, de roep om kinderen en jongeren op school gewoon weer kennis bij te gaan brengen klinkt al maar harder en in de media koketteren bekende Nederlanders met bekende wetenschappers.

Het raadsel van alles wat leeft bewijst dat succes alleen al in zijn prachtige vorm, gefinancierd door een bevlogen uitgever en indrukwekkend geïllustreerd door nieuwkomer Floor Rieder. Verscheen het debuut van Bas Haring, Kaas en de evolutietheorie (Houtekiet, 2001) nog in een goedkoop vormgegeven paperback, iets meer dan tien jaar later is een kloek informatief boek met linnen band en goud op snee de dag van verschijnen al op tv. Dat mag ook wel, want het is zonder twijfel een van de mooiste kinderboeken in jaren.

**** (4)
Het raadsel van alles dat leeft en de stinksokken van Jos Grootjes uit Driel
Jan Paul Schutten
Met illustraties van Floor Rieder
Gottmer, 160 pagina’s, € 19,95
ISBN 9789025753467
Vanaf 11 jaar

zaterdag 6 oktober 2012

**** (4) voor Hans Hagen / Philip Hopman Het hanengevecht

Pio vindt op een dag een haan bij de waterval, waar hij drankjes uitdeelt aan toeristen. Als hij die nu eens traint voor de komende hanengevechten! Dan kan zijn werkloze vader een nieuwe motortaxi kopen. En mag Pio weer naar school. Maar dan moet zijn haan wel eerst die dikke dure dopingkampioenen van de rijke fokkers verslaan.

Verhalen over mensen in arme landen kunnen spannend zijn. Niet omdat je er wat van leert over de wereld, maar omdat er in geleefd wordt en keuzen er echt toe doen. Als er iets misgaat, dan is het meteen heel erg. Zo'n verhaal is Het hanengevecht van Hans Hagen. Van alle boeken die naar aanleiding van het thema van de kinderboekenweek ('Hallo wereld!') verschenen, is dit veruit het beste.

Laten we eerlijk zijn: het leven van het gemiddelde Nederlandse kind is een beetje saai. Wie het avontuur zoekt in boeken, moet het hebben van sprookjes, historische romans, griezelverhalen en andere fictie. Of 'buitenlandboeken', vaak gesitueerd in derdewereldlanden. Dit vaak wat zoetige genre was populair in de idealistische jaren zeventig en is dankzij de Kinderboekenweek weer even helemaal terug.

Hagen nam een goede beslissing toen hij zijn onderwerp koos. Stoere vechthanen zijn vrijwel overal buiten West-Europa populair en vaak niet eens verboden. In de zogenoemde cockpits gaat het er niet mals aan toe: Pio's haan krijgt een vlijmscherp mes aan zijn poot en opa knipt zonder verdoving of scrupules de kam en de lellen van zijn kop. De verliezers gaan in de kookpot van Cecil.

Hagen slaagt er in om deze wereld indringend, maar ook objectief te beschrijven. Hij bespaart de lezer geen enkel detail, maar oordeelt niet. Het is dierenleed in een land met mensenleed. Kies maar wat je het ergste vindt. Je mag er het jouwe van vinden.

Alleen met twee krantenknipsels over hanen die hun trainers dodelijk verwonden en in de laatste zin van zijn nawoord ('Aan de hanen wordt niets gevraagd') laat hij even doorschemeren naar wie zijn sympathie uitgaat.

Hagen schrijft prettig proza: precies, kort en krachtig. Aan de steeds op een nieuwe regel geplaatste zinnen van boekjes voor beginnende lezers is bij zijn collega's meestal weinig te beleven, maar deze schrijver is ook dichter en kan zulke zinnetjes laten swingen.

En hij weet het tot eenvoud uitgeklede verhaal - ondanks een iets te ingewikkelde flashback en een wat flauwe droom, waarvan we pas naderhand merken dat het een droom is - opmerkelijk meeslepend te krijgen.

De illustraties zijn spectaculair, vooral die met de krottenbuurt en de natuur als decor. Philip Hopman is bekend om zijn volvette pasteltinten, maar dit ruige zwart-wit gaat hem erg goed af.

Met één lijn kan Hopman een landschap neerzetten, met een paar krabbels de wereld van verschil tussen een tanig derdewereldjongetje en een vadsige Hollandse toeristengroep. Die rauwe tegenstelling tussen de mollige zoon van een rijke fokker en die van een arme gokker wordt niet onnodig zoet gemaakt met kleurtjes.

De hanenbusiness levert ook te veel ellende op voor zoetigheid. Mooi dat Hagen er na het bloederige einde van de naamloze haan toch nog een geestige, positieve draai aan weet te geven. Zwartgallig is hij nergens en dat is knap.

Nee, braver dan dit jaar kon het thema van de Kinderboekenweek niet. Maar Het hanengevecht steekt met kop en schouders uit boven alle goedbedoelde derdewereldvlijt waar de boekwinkels deze week mee vol liggen.

zaterdag 25 augustus 2012

*** (3) Frank Cottrell Boyce: Chitty Chitty Beng Beng vliegt weer

Worstel een beetje met mijn sympathie (hoog) en de kwaliteit (matig) bij deze nieuwe versie van het zo klassieke Chitty Chitty Bang Bang - The Magical Car (1964) van Ian Fleming. Ik geef het drie sterren. Zeer geschikt als vakantieboek, maar Boyce houdt het verhaal net als in zijn debuut Miljoenen lang niet tot het einde overeind en de vertaling is moeizaam.

zaterdag 28 juli 2012

** (2) Jef Aerts: Het kleine paradijs

Misschien wel iets té bitter ben ik over Het kleine paradijs van Jef Aerts, dat ik twee sterren geef. Je kunt zulke boeken natuurlijk ook gewoon níet bespreken. Maar ja: het ziet er allemaal prachtig uit, het komt van een belangwekkende uitgever en de auteur geniet al enige bekendheid onder volwassenen. Ik kan er niet omheen: van dit soort debuten word ik dood- en doodmoe. Wat een onnodig pretentieus gezwoeg. En dat alleen maar omdat iemand dacht: een sprookje, natuurlijk: dat moet een kinderboek worden. Hou daar toch eens mee op!

De twaalfjarige Lilita leeft alleen met haar moeder in het Suikerbos. Op een dag wordt ze nieuwsgierig naar haar vader en hoort ze dat die de stichter is van een stad waar alles perfect is. Haar vrijgevochten, hoogzwangere moeder kon daar niet aarden. Om te zorgen dat ze voortaan wegblijft heeft haar gewezen geliefde muren gebouwd die tot de hemel reiken. Barnstad is een soort omgekeerde toren van Babel. Toch besluit Lilita om naar haar vader op zoek te gaan.

Na dit veelbelovende begin gaat het al snel mis met Het kleine paradijs, het kinderboekendebuut van de Vlaamse schrijver en dichter Jef Aerts. Het sprookjesachtige fantasieverhaal zit veel te simpel in elkaar, heeft flinterdunne personages, maakt een wel erg karikaturaal onderscheid tussen goed en kwaad en is verteld met ronkende barokke zinnen zonder zeggingskracht.

Het vervelendste is nog wel dat volstrekt onduidelijk blijft wat er aan de hand is in Barnstad. Je kunt lang naar een bevredigend antwoord zoeken, Het kleine paradijs geeft het niet. Natuurlijk: die muur. Maar verder? In Aerts symboliek wordt het woord ‘stad’ verbonden met: man, georganiseerd, regels en productie. Buiten de muur vinden we de natuur, verbonden met: vrouw, vrijheid, intuïtie en kunst.

Nergens wordt deze geitenwollensokkenideologie tastbaar, laat staan geloofwaardig gemaakt. Eenmaal bínnen de muur treffen we een schone, geordende wereld aan, waar eigenlijk maar één regel is: niemand mag spreken over de verdwenen eerste vrouw van de stichter. Verder is er een pizzafabriek, er zijn er ochtendfiles en hebben de inwoners er soms last van dat ze in een echoput wonen. En dus?

Goed, er wonen een hoop mensen in sloppenwijken om de muur heen tussen het afval van de stad, maar wie dat nu precies zijn en waar ze vandaan komen we niet te weten. Bepalen of we nu met ze mee moeten leven is onmogelijk. Over de Barnstedelingen zelf en hun geluk of ongeluk horen we ook al niets. Barnstad zou net zo goed een kartonnen stad kunnen zijn, die alleen maar dient als decor. Dat een fantasieverhaal zo fantasieloos kan zijn.

Daarom wil het maar niet lukken om de queeste van Lilita belangwekkend of interessant te vinden. Een sprekende schildpad brengt Lilita rechtstreeks naar haar halfbroer Adem – wát een toeval! – en na enkele schimmige verwikkelingen keert haar moeder terug in Barnstad en terwijl zij een lied zingt, gaan de muren omver.

Schrijven kan Aerts wel, als het om het aaneenrijgen van woorden en zinnen gaat. Dat doet hij een stuk beter dan de gemiddelde kinderboekenschrijver. Maar dat is natuurlijk niet genoeg. Gaandeweg gaat zijn gedragen sprookjestoon steeds meer lijken op die van het Bijbelse Hooglied. Lees dit maar eens drie keer achter elkaar voor: ‘De nachtvlinders verstopten zich in de moerbeibomen.’ Een draak van een zin, waarvan hij er nog veel meer in de aanbieding heeft. Weet hij eigenlijk wel hoe een moerbeiboom er uitziet? Of vond hij het gewoon een mooi woord?

Jef Aerts (1972) schreef tot nu toe muziek, poëzie, romans en toneelstukken voor volwassenen. Na wat kindergedichten in Querido’s bloemlezing Ik wil een naam van chocola en droeg hij vorig jaar met een kort verhaal bij aan de zomervakantiebundel Wegwezen! van diezelfde uitgeverij. Voor hij zich op wéér een nieuw genre stortte, had hij zich beter kunnen afvragen of hij eigenlijk wel wat te vertellen heeft.

De prachtige klassieke vormgeving en het wondermooie omslag van de nog maar pas afgestudeerde Korneel Detailleur veranderen er niets aan: Het kleine paradijs is een lege huls.

woensdag 20 juni 2012

**** (4) voor Moni Nilsson: Pita en Svenne

Moni Nilsson raakte begin deze eeuw ondanks de films snel weer vergeten met haar gewaardeerde, maar niet goed verkopende vijfdelige serie over het Zweeds-Griekse jongetje Tsatsiki. Nu is ze terug met de serie Pita en Svenne, waarvan ik het eerste deel bespreek. Sterk is de opvallende strakke vormgeving, indrukwekkend het prachtig terloops vertelde verhaal. Helaas gaat de vertaling hier en daar mank, door de wel erg platte beschrijving van Pita en Svenne's 'liefdesspelletjes'. Daar moet nog aan gewerkt worden. Verder een zeer welkome, frank en vrije serie.

maandag 23 april 2012

**** (4) voor Simon van der Geest Spinder

Simon van der Geest (1978) is een auteur om in de gaten te houden: zijn nog kleine oeuvre wordt met elk boek interessanter. Vorig jaar won hij met zijn even stoere als swingende Homerosbewerking Dissus al een Gouden Griffel; in zijn derde kinderboek Spinder laat hij zien dat hij niet alleen mooie zinnen kan maken, maar ook een behoorlijk heftig verhaal vertellen.

Hidde is geen gewone jongen. Hij zit het liefst in de kelder met zijn duizendpoten, slakken, oorwurmen, wandelende takken, bidsprinkhaan Jackie Chan en goudglanskever Tessa. Hij lijkt meer met insecten op te hebben dan met mensen. Behalve Lieke misschien, die van vlinders houdt.

Zijn compromisloosheid geeft hem iets dreigends. Om indruk te maken op Lieke snijdt hij vlindervleugels af en plakt die met lijm op de schouders van levende spinnen. Hoewel dat heel wat wat knapper is dan wat andere jongens met insecten doen, blijft de gedroomde bewondering uit: zijn klasgenoten vinden hem maar raar en noemen hem voortaan Spinder.

Spinder is geen gewoon pestverhaal. Het wantrouwen van de klas voor deze kleine Frankenstein is invoelbaar: hij doet écht een beetje vreemd. Maar als je hem beter leert kennen, móet je haast wel met hem mee gaan voelen. Zijn tweede liefdesverklaring, zelfgekweekte roze vlinders, slaagt wel. Alleen durft Lieke dan allang zijn horrorkelder vol gruwelijke kriebeldieren niet meer in.

Ondertussen heeft Spinder een grotere zorg: zijn geheime ondergrondse dierentuin is in gevaar. Broer Jeppe wil er zijn drumstel in kwijt en schuwt geen enkel middel om zijn broertje weg te jagen. Spinder slaat op onnavolgbare wijze terug: hij zet wespen in en smeert naaktslakkenlijm op de trapleuning. Zo hoopt hij Jeppe in de val te lokken en op andere gedachten te brengen.

Ook de uiterlijke vorm van het boek heeft wel iets van de verraderlijke verleidingstactieken uit de natuur. Van der Geest en zijn illustrator Karst-Janneke Rogaar knipogen openlijk naar populaire jongensdagboeken als Het leven van een loser van Jeff Kinney. Spinder is op het eerste gezicht precies zo’n lollig dagboek vol zelfgemaakte tekeningen en cartoons en vermakelijke lijstjes en leest bijna net zo lekker weg.

Alleen dan met een origineel, volstrekt niet oppervlakkige hoofdpersoon met een volstrekt eigen levensfilosofie, die weet te raken en soms zelfs een beetje buikpijn geeft. ‘Nee, doodgaan is niet eng. Ik denk het niet. Als ik dood ben lig ik onder de grond, tussen de dieren die ik zo goed ken, tussen mijn vrienden. Doodgravertjes, maden, regenwormen en cicaden komen mij opzoeken. Ze komen met hele families. Ze vieren een groot feest, en dat feest ben ik.’

De spanningsboog blijft, ondanks al die reuring, nog iets te wisselvallig. De oorlog om de kelder en om Lieke, die zangeres wordt in de band van Jeppe, blijft niet de hele tijd boeien. En als het lang aangekondigde grote geheim dan eindelijk onthuld wordt en naar de keel begint te grijpen, komt net op tijd moeder thuis om alles op te lossen. Het verhaal heeft soms iets weg van een achtbaan, die veel tijd nodig heeft om op gang te komen en daarna weer erg abrupt tot stilstand komt. Ook die stijlfiguren kunnen soms wat minder gekunsteld: na drie Homerische vergelijkingen tussen mensen en insecten weten we het wel.

Van der Geest heeft daardoor nog niet die verbluffende natuurlijkheid van de grootmeesters van de vorige eeuw, waarmee hij soms zo schaamteloos wordt vergeleken. Maar met Spinder komt hij wel behoorlijk dicht in de buurt.

zaterdag 10 maart 2012

** (2) voor Marco Kunst De Sleuteldrager

Timeo zit hoog in de grote, oude eik verstopt als hij ziet hoe een rustende reiziger door de snel groeiende wilde wikke wordt aangeraakt en versteent. Zijn vader, met wie hij in een armoedig hutje in het bos woont, weet wat dit betekent: de Gruwel is terug. Voordat de onstuitbare struiken de stad zullen overspoelen, moet hij een sleutel die hij al zijn hele leven om zijn nek draagt naar de koning brengen.

Dit alles volgens een oude mythe die in statige, van vader op zoon vertelde verzen is vervat. Alleen raakt hij voor hij die opdracht kan vervullen raakt zelf versteend. Samen met het eerste meisje van zijn leeftijd dat hij na een eenzame jeugd ontmoet, Manou, gaat de dappere Timeo met zijn zware last op pad om het koninkrijk Myr te redden.

Het is treurig, maar Marco Kunst maakt in zijn nieuwste roman De Sleuteldrager hooggespannen verwachtingen niet waar. Die zijn vooral gebaseerd op zijn veelbelovende filosofische sciencefictionroman Gewist (Querido, 2004), waarvoor hij in 2007 het Charlotte Köhler Stipendium in de wacht sleepte. Zijn tweede roman, het fantasieverhaal Isa’s Droom (Querido, 2008) lukte wat minder goed. Van De Sleuteldrager werd gehoopt dat die hem weer op zijn oude niveau terug zou brengen.

Maar daarvoor bevat zijn nieuwste avontuurlijke fantasieverhaal veel te oppervlakkig proza en te veel cliché's. Een indrukwekkend stilist toonde Kunst zich ook in Gewist al niet, maar een bepaalde rust en gedragenheid en oog voor detail maakte zijn debuut toen toch tot een prettige leeservaring.

De Sleuteldrager gaat gebukt onder gênant middelbareschoolproza met uitbundig gebruik van inadequate bijvoeglijke naamwoorden (‘glunderende’ meisjes die ‘scheef’ lachen of ‘meewarig’ het hoofd schudden) en een mislukte poging om ouderwets galmend sprookjesachtig te schrijven (‘ziedend en zengend’, ‘grauwer en grijzer’). Als dit al enig effect zou sorteren, dan doorbreekt hij dat met harde, ongecontroleerde stijlbreuken, bijvoorbeeld als Timeo een ‘houten kont’ krijgt van het lange zitten. En de details zijn nogal eens slecht gekozen: van zo’n beetje alles wat er gegeten wordt krijgen we wel het recept, maar totaal geen trek.

Met een zekere prikkelbare vermoeidheid sleept onze knorrige held Timeo zich van poging tot poging om zijn volgende handeling geloofwaardig te maken in wat niet beter kan worden omschreven als een malle griezelversie van Doornroosje. Die ten slotte op onnavolgbare wijze culmineert in de keuken van het paleis, tussen de borrelende pannen van chef-kok Stovertsen die zich terwijl buiten een reusachtige sidderaal de stad teistert, alleen maar druk maakt om zijn lobbige saus.

Wat leren we van De Sleuteldrager, als we tot het einde volhouden? Dat het Kwaad ontstaat als je je te veel verdiept in ‘kennis die beter onbekend had kunnen blijven’ en dat domme mensen bereid zijn om alles te geloven wat hun leiders zeggen, doordat ze elkaar bang maken met praatjes over vreemdelingen, besmettelijke ziektes en boeven. Het antwoord op die Gruwel is dan ook: gewoon niet bang zijn.

Kom nu toch. Er zijn in het leven van het moderne kinderen echt wel wat meer nuances te ontdekken. Kunst zoekt die ook wel, als hij het verdrietige verhaal vertelt van de broer van de koning die houdt van dezelfde koningin en in de wetenschap geen bevrediging vindt voor zijn gefnuikte liefde. Maar dan is het al veel te laat. Pas op de laatste bladzijde vinden we de enige rake zin van het hele boek.

Marco Kunst moet een aantal jaar geleden zijn vertrokken met een goed idee, maar is onderweg hopeloos verdwaald. Kennelijk is hij ook gedrevenheid kwijtgeraakt om er nog iets van te maken wat bij zijn eerder aangetoonde kwaliteiten past. Het resultaat is echt te mager voor een auteur die bij twee van de beste kinderboekenuitgevers van het land verschijnt.

zaterdag 28 januari 2012

**** (4) Rob Ruggenberg IJsbarbaar

Gisteren gaf ik vier sterren aan IJsbarbaar. Van zijn eerdere boeken Het verraad van Waterdunen, Slavenhaler en Manhatan was ik niet zo onder de indruk. Ruggenberg schrijft wel iets beter dan de gemiddelde historische jeugdauteur - waar we er in Nederland nogal veel van hebben - maar ook hij bedient zich hoofdstukken lang van opsteldialogen en maakt van die nobele mopperpotten als personages. Toch heeft hij een belangrijk pluspunt: bij hem spelen kinderen - terecht - een veel bescheidener rol in de geschiedenis dan bij zijn collega's, die knorrig de rotzooi van het gekozen tijdvak opruimen en in en uitlopen bij beroemde tijdgenoten alsof het niets is. Tot de negentiende eeuw maalde men niet zo om een leven, en zeker niet dat van een kind. Dat maakt Ruggenberg voelbaar. In IJsbarbaar voegt hij daar ook nog een paar hoofdstukken kippenvelverwekkend overleven in de natuur aan toe. Zijn bezoek aan Groenland is niet voor niets geweest. Ik ben heel benieuwd of Ruggenberg in zijn volgende boeken de cliché's van zijn collega's nog verder achter zich kan laten.

maandag 2 januari 2012

***** (5) voor Harm de Jonge: Vuurbom

Op de laatste dag van het afgelopen jaar gaf ik vijf sterren aan Harm de Jonge: Vuurbom. Jimmy wordt hierin verdacht van het gooien van een bom naar Bram. Inspecteur Ratelbuis probeert het hele verhaal uit Jimmy te krijgen, die zich echter maar weinig herinnert. De Molukse verpleegster Agnes heeft meer succes. Harm de Jonge blijft verrassen met altijd weer hetzelfde boek. Maar dan toch weer net even anders. Als Vuurbom niet zijn beste boek tot nu toe is, dan in elk geval zijn aantrekkelijkste. Mijn favoriet voor een Gouden Griffel.

maandag 28 november 2011

Net uit: Patrick Dennis Auntie Mame

De vergeten Amerikaanse klassieker Auntie Mame van Patrick Dennis verscheen voor het eerste en voor lange tijd voor het laatst in Nederland in 1959 met als titel Mijn ontembare tante Mame. Een titel die de lading dekt: een tienjarige weesjongen gaat bij zijn tante in New York wonen. Ze heeft nogal eigenzinnige opvattingen over opvoeden. Ook in Amerika raakte hij na zijn enorme succes – alleen al van Auntie Mame verkocht hij 2 miljoen exemplaren – uit de mode en moest hij op een andere manier zijn brood gaan verdienen. Onder zijn echte naam, Edward Everett Tanner, werd hij de butler van onder meer de bedenker van McDonald’s. Die wist niet dat hij een beroemde schrijver als bediende had. Met de hernieuwde aandacht voor de jaren vijftig krijgt ook Dennis een nieuwe kans.