zaterdag 1 februari 2014

Polare is niet 'het' probleem van 'de' markt

In eerdere opmerkingen van mijn kant leek het misschien dat ik niet verdrietig ben over het verdwijnen van twee boekhandels waar ik al mijn hele leven kom. Dan ben ik wel. Selexyz en daarna Polare hebben Kooyker en De Slegte kapot gemaakt. Voor veel mensen is de zaterdag niet meer hetzelfde. Maar ik snap de reacties niet. Boeken bestaan niet bij gratie van de boekhandel. De boekhandel bestaat bij gratie van boeken. Dat de boekenmarkt krimpt zou geen failliet hoeven betekenen. De kinderboekenmarkt groeit zelfs. De vraag is: hoe ga je daarmee om? Dat Polare misschien failliet gaat is treurig, maar vooral voor de mensen die daar werken. Do(e)mdenken en preken in praatprogramma's over 'de' markt en 'het' boek lost niets op. Schrijvers moeten zorgen dat ze ertoe doen voor lezers. Lezers moeten zorgen dat schrijvers dat merken. Bij voorkeur op een stabiele en duurzame manier. Iets anders is er niet.

woensdag 1 januari 2014

Interessant in januari 2014

Januari wordt een leuke maand met onder meer Hotel de grote L van Sjoerd Kuyper, Aadje piraatje moet in bad (Huiberts / Posthuma), de nieuwe Dirk Weber (De goochelaar, de geit en ik), Grote gedachten van Jenny van der Molen, Klein verhaal van de liefde van Marit Törnqvist en een nieuw Kareltje-boek van Susanne Rotraut Berner. Voor de allerkleinsten wordt het veel Kikker dit jaar, want die wordt 25.

dinsdag 24 december 2013

Brief voor de koning succes in Engeland

Ze heeft er 51 jaar op moeten wachten, maar eindelijk is het dan zo ver: een van de bekendste Nederlandse kinderboeken, De brief voor de koning (1962) van Tonke Dragt, is verschenen in het Engels. En dat is niet onopgemerkt gebleven. Na juichende kritieken in onder meer The Guardian haalde The Letter to the King in diverse Britse kwaliteitskranten de lijst met beste kinderboeken van het jaar.

Het boek speelt in de Middeleeuwen en gaat over de zestienjarige schildknaap Tiuri, die in de nacht voor zijn ridderslag een delicate opdracht krijgt waarmee hij het land kan redden, maar ook zijn kans op het ridderschap verspelen. The Guardian omschrijft het boek als ‘een volwassen versie van klassieke kinderboeken als de Hobbit’. Kinderboekendeskundige Julia Eccleshare noemt het ‘een van de meest meeslepende boeken die ze ooit las’ en roemt het gedetailleerde en beeldende taalgebruik van Dragt.

In Engeland wordt traditiegetrouw niet al te enthousiast vertaald: maar drie procent van de literatuur komt uit het buitenland, kinderen en volwassenen inbegrepen. Vertaalde prentenboeken doen het aardig, maar daar houdt het wat kinderboeken betreft dan ook op.

Adam Freudenheim, voormalig uitgever bij Penguin, startte om die reden in mei dit jaar een nieuw fonds: Pushkin Children’s Books, dat klassiekers uit de hele wereld wil uitbrengen voor kinderen. Het fonds kreeg sinds de lancering aandacht in de Britse media, met krantenkoppen die stellen dat Britse kinderen echt iets missen als ze alleen maar boeken van hun eigen auteurs lezen.

In Nederland is De brief voor de koning sinds de verschijning een doorlopend succes. Er zijn in de loop der jaren meer dan een miljoen exemplaren van verkocht. In 2004 won het boek de Griffel der Griffels, de prijs voor het beste Nederlandse kinderboek aller tijden en in 2008 werd het boek verfilmd.

Na de vertaling in het Duits en Deens eind jaren tachtig bleef het in het buitenland enige tijd stil. Pas de afgelopen tien jaar kwamen er andere Europese landen bij en verscheen het boek ook in Korea, Japan en Indonesië. Maar het land van Koning Artur en Sir Gawain and the Green Knight, het favoriete ridderverhaal van Tonke Dragt, stond hoog op het verlanglijstje van de 83-jarige auteur.

De enthousiaste reacties in Engeland hebben natuurlijk alles te maken met de prachtige gebonden uitgave met de oorspronkelijke illustraties van de schrijfster. Maar het meest geroemd wordt de bijdrage van vertaalster Laura Watkinson. Zij vertaalde onder meer Cees Nooteboom en maakt zich via een stichting sterk voor Nederlandse jeugd- en jongerenliteratuur in Engeland. Ze woont en werkt in Amsterdam. Een pocketeditie van The Letter to the King staat gepland voor de zomer en het vervolg Geheimen van het wilde woud verschijnt in 2015.

dinsdag 17 december 2013

De nieuwe Blexbolex is te gek

Of het een kinderboek is weet ik nog niet, maar de nieuwe Blexbolex Een sprookje is helemaal te gek. De grafische vormgeving, de originele manier van vertellen... Soms heb je zo'n boek dat in alle opzichten klopt en dit is er zo eentje. Blexbolex vertelt een sprookje op basis van losse woorden. Het verhaal begint elke keer opnieuw en wordt steeds gekker. Misschien meer een hebbeding voor bibliofielen, misschien meer reflectie op fantasie dan een fantasievol kinderboek. Maar daar is geen wet tegen.

woensdag 9 oktober 2013

Hoe hoog is hoog in de verkooptop-60?

Het prentenboek van de kinderboekenweek op één in de verkooptop-60 is niet zo bijzonder: dat gebeurt sinds de invoering van dat bijna-geschenk (het kost maar vijf euro) bijna altijd. Ook Francine Oomen, Paul van Loon en Vivian den Hollander zijn vaste gasten. Wat is hoog voor een Gouden Griffelwinnaar in de verkooptop-60? De hoogste positie in de afgelopen elf jaar is de vierde plek, en die is deze week gehaald Simon van der Geest. De laagste positie is de zesendertigste, gehaald door Marjolijn hof in 2007. Godje van Daan Remmerts de Vries haalde in 2003 de top-60 helemaal niet. Je kunt discussiëren over de precieze herkomst en betrouwbaarheid van de cijfers en wat een plaatsing werkelijk zégt, maar andere cijfers hebben we niet. Een overzicht.

1. Spinder van Simon van der Geest (2013), tot nu toe 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 4, in de tweede week (eerste boek dat stijgt in de top-60 in plaats van daalt)

2. Dissus van Simon van der Geest (2011), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 7

3. Kinderen van Amsterdam van Jan Paul Schutten (2008), 4 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 8

4. Het boek van alle dingen van Guus Kuijer (2005), 1 week in de lijst, waarvan de hoogste op 8

5. Winterdieren van Bibi Dumon Tak (2012), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste op 10

6. Voordat jij er was van Daan Remmerts de Vries en Philip Hopman (2010), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste 15

7. Big van Mireille Geus (2006), twee weken in de lijst, waarvan de hoogste 19

8. Het geheim van de keel van de nachtegaal van Peter Verhelst (2009), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste 33

9. De dans van de drummers van Hans Hagen (2004), 1 week in de lijst, waarvan de hoogste 34

10. Een kleine kans van Marjolijn Hof (2007), 2 weken in de lijst, waarvan de hoogste 36

11. Godje van Daan Remmerts de Vries (2003), 0 weken in de lijst, waarvan de hoogste positie 0

Als je teruggaat door al die jaargangen zie je tussen Vijftig tinten grijs, Khaled Hosseini en de nieuwe Dan Brown ineens het prentenboekje van de kinderboekenweek opduiken. Altijd in week 41. In die week is ook altijd de hoogste notering van het boek dat de Gouden Griffel heeft gewonnen. De meeste Gouden Griffelwinnaars staan er twee weken in. Langste notering is vier weken. Echt interessant zijn titels die jarenlang gestaag verkopen, dat hoeft niet eens heel veel te zijn. Dat zijn de klassiekers. Even twee weken goed verkopen zegt, zeker in de kinderboekenweek, heel wat minder over je succes. Wel is duidelijk dat er grote onderlinge verschillen zijn. Simon van der Geest heeft het in elk geval in vergelijking met zijn acht voorgangers uitstekend gedaan.

woensdag 2 oktober 2013

Positieve trend in het kinderboekenvak

Misschien gaat het in het kinderboekenvak wel beter dankzij de crisis, stelde ik vanochtend in een interview voor de bij depersdienst.nl aangesloten regionale kranten. Journaliste Annemieke van Dongen was opgevallen dat de Griffeljury sprak van een 'niet overweldigende' opbrengst. Tegelijkertijd komt CPNB met juichende cijfers: het kinderboek doet al sinds 2011 niet mee aan de dalende trend in de rest van het literaire bedrijf. Hoe kan dat? Natuurlijk is het zo dat er veel geld verdiend wordt aan gemakkelijk gemaakte series. Maar er is meer. Het kwaliteitskinderboek is er weer gewoon voor de lezer, zoals blijkt uit de favoriet van de Griffeljury gisteren.

Een Griffelboek als lievelingsboek!
Het is alleen daaraan te danken dat deze week voor het eerst in tijden kritiek én jury unaniem te spreken zijn over het Goud. Nog mooier: ik kon voor mijn stukje van vanochtend over de kinderboekenweek moeiteloos een meisje vinden dat Spinder van Simon van der Geest 'haar lievelingsboek' noemde. Dat was bij de meeste Griffelwinnaars van de afgelopen twee decennia een kansloze missie. Zelfs onder boekenwurmen! Oké, het was veellezer Yrsa van het Leidse Leesblog. Maar dat bepaalde boeken voor een kleine groep liefhebbers zijn, is altijd zo geweest en zal ook niet veranderen. Het gaat erom dat het kinderboekenvak het in de hele breedte goed lijkt te doen, en niet alleen aan de onderkant.

Crisis? Niet als we dicht bij de lezers blijven
Hoe dat komt? Alleen de crisis is een te simpele verklaring. Er zijn grotere bewegingen gaande. De klassiekers ('eversellers') zullen er niet altijd meer zijn. Bestsellers komen, maar gaan vooral ook weer. De Griffelwinnaars worden niet meer ongezien in hoge oplagen gekocht. Ik denk wel dat de crisis helpt. Ouders denken kritischer na waar ze hun geld aan uitgeven. Subsidiepotten zoals die van de Fonds voor de Letteren worden langzaam dichtgeschroefd. Boekhandels hebben het zo mogelijk nog moeilijker dan uitgeverijen en richten overal lezersclubs op. En met succes, laat ik me vertellen. Of is er gewoon een toenemende belangstelling voor kwaliteit? Volgens oud-docent Piet Mooren zijn ouders zich tegenwoordig veel bewuster van de bijdrage die lezen levert aan maatschappelijk succes. Allemaal dingen waar we niet in door moeten schieten (We moeten lezers ook weer niet té serieus gaan nemen. Schrijven moet een asociale bezigheid mogen blijven. En lezen trouwens ook.) maar die me op de eerste dag van de Kinderboekenweek tóch vrolijk stemmen.

maandag 2 september 2013

Interview Paul van Loon 'Weerwolven zijn zo Nederlands als wat'

Het zo chique klinkende Vredesplein te Waalwijk is een verregend busstation zonder koffie. Het enige terras hoort bij het zorgcentrum, de rieten stoelen zijn leeg. Dan een winkelstraat, een kerk, een school en in de verte steeds nieuwere blokken eengezinswoningen. Het is vast fijn wonen, maar hoe verzint hier iemand vampiers, heksen, weerwolven?

Beroepsverteller Paulus Stephanus Elisabeth Lambertus Maria van Loon (1955), tegenwoordig vijf kilometer verderop woonachtig in Drunen, doet het tóch.

Wie wil begrijpen waarom, kan het best eerst even afspreken met zijn jeugdvriend en vroegere buurjongen Jack Didden (1952), naast wie Van Loon op zesjarige leeftijd kwam te wonen. De bijna gepensioneerde leraar Engels, streekhistoricus en parttime thrillerschrijver, laat graag ‘hun’ Gemma Frisiusstraat zien, waar Waalwijk vroeger ophield en de weilanden begonnen.

Ook nu nog zijn als je goed kijkt de laatste sporen te zien van het oude slagenlandschap langs de winterdijk met z’n lange smalle weilandjes, gescheiden door donkere sloten, hagen, zwarte elzen en knotwilgen. Van Loon en Didden lopen als tieners zo de akkers in, bij voorkeur ’s nachts, als het mistig is. Of ’s winters in de sneeuw: lekker griezelen in de doodse stilte. Een keer zijn ze er in het donker vreselijk geschrokken van een angstaanjagend gehoest.

‘Dus: júist hier’, lacht Didden met gespeelde schoolmeesterachtige ongelovigheid achter het stuur van zijn auto, in elke straat even stoppend voor historische informatie. ‘En júist toen. Er was niks. Dus verzonnen we het zelf.’

Paul heeft het met Jack niet over meisjes maar over Pink Floyd, stripboeken en bovenal: griezelverhalen. Van die laatste categorie is er in Nederland in de jaren zestig alleen een enkele Bruna-pocket en een enkele, met moeite verkregen Amerikaanse vertaling.

‘Verder moesten we ons maar behelpen met de sprookjes van Grimm. De oorspronkelijke versies zijn soms ook lekker bloederig… maar op een gegeven moment ben je er doorheen, hè? Verdomd, wij bekláágden ons dat er niet zoiets was als een griezelbibliotheek. Zó is het begonnen. Dat Paul er een is gaan volschrijven is achteraf niet onlogisch.’

‘Ach ja’, zegt Van Loon even later, zachtjes grijnzend in zijn afgeladen werkkamer in een doodgewone Vinex-woning met gesloten rolluiken aan de onderkant van Drunen. ‘Jack kan het zo mooi vertellen.’ En dan kijkt hij weer stilletjes voor zich uit. Zelf is hij bepaald geen theatraal of bloemrijk type en totaal niet bereid om te analyseren, te historiseren of psychologiseren.

Het geheim van schrijver Van Loon is dat hij zo weinig heeft van een schrijver. Met zijn zwart spijkerjack, zijn doodskopringen aan zijn vingers, zijn zonnebril en zijn grijze gemillimeterde haar heeft hij meer iets van een zwijgzame roadie van Metallica.

De donkere notenhouten kasten in werkkamer zijn tot het plafond gevuld met boeken, maar daar merk je weinig van omdat er zo veel keurig afgestofte Dolfje-Weerwolfjegadgets, monsterknuffels en vleermuizen voor staan, liggen en hangen.

Naast zijn klassieke bureau staat een rij glimmende gitaren, een versterker, een fitnessapparaat. Gasten zitten op het gitaarkrukje, iets anders is er niet. Zelf schuilt hij gedurende het hele interview half achter het enorme pc-beeldscherm waar hij alleen af en toe achter vandaan komt om iets uit de kast te pakken. Op de enige comfortabele stoel zit Beentjes, de chauffeur van De Griezelbus, bedolven onder nog meer speelgoedbeesten.

Nee, wie het over die eeuwige zonnebril heeft die Van Loon nooit afzet, ziet een hoop andere verstopplekken over het hoofd. Zelfs in zijn antwoorden relativeert hij alles wat lijkt op drama en emotie tot iets rustigs, bijna bescheidens, op zijn best mild-ironisch. ‘Je moet dat niet allemáál geloven hoor, wat Jack zegt. En dat gehoest in de nacht, was gewoon een koe.’

Zelf zegt hij dat zijn inspiratie komt het Limburgse Sagenboek van de Maastrichtse dichter Pierre Kemp. Zijn vader is onderwijzer en brengt hem al vroeg de liefde voor boeken bij, maar dát boek is favoriet. Tussen de sprookjes, geestige verklaringen van Limburgse plaatsnamen en klassieke heksenverhalen vindt hij zijn eerste weerwolfmateriaal. Zoals ‘De man die er echt even uit moest’. Griezelen, niet in Engeland of Amerika maar gewoon in Nederland, om de hoek.

Die wandelingen met Jack moeten ook op hem diepe indruk gemaakt hebben. Het sleutelverhaal in De Griezelbus, waarmee Van Loon aan het begin van de jaren negentig indrukwekkend doorbreekt, gaat over Jack, die er op een nacht alleen op uitgaat over besneeuwde akkers en een weerwolf tegenkomt.

Toch is het echt geen vastomlijnde jongensdroom die Paul met dat boek verwerkelijkt. Hij neemt er dan ook behoorlijk lang de tijd voor om zijn roeping te vinden. Als tiener wil hij alleen maar tekenen.

Stapels agenda’s, schriften en schoolboeken kliedert hij vol met, natuurlijk, sprookjesachtige figuren. Als hij er veel te laat achter komt dat er zoiets bestaat als een kunstacademie, neemt hij die krabbels mee. ‘Maar na enige begrijpelijke twijfel zagen ze wel een illustrator in me.’

Ondanks zijn vaders enorme boekenkast weet hij van moderne kinderboeken eigenlijk ook niets. Jean Dulieu (Paulus de Boskabouter) vindt hij geweldig, maar verder kent hij vooral ouderwetse jongensboeken zoals Pim Pandoer en Puk en Muk uit de schoolbibliotheek van de paters.

Pas als hij op de kunstacademie kennismaakt met Maurice Sendak, de maker van Max en de Maximonsters, gaat het licht aan. ‘Ik vond dat zó mooi, er ging een wereld voor me open. Ik wist niet dat er zulke dingen voor kinderen werden gemaakt. Dat wilde ik ook.’

Maar levensgenieter Van Loon blijft zelfs na die ontdekking meer krekel dan mier. Hij begint zich te irriteren aan docenten die je in een bepaalde richting willen duren en maakt zijn opleiding niet af. ‘Ik moest elke dag met mijn brommer langs Vlijmen, daar woonde een Indonesische vriend van me. Zijn moeder bakte de hele dag spekkoeken voor de marine. Dat vond ik veel leuker en dus ging ik liever haar helpen.’

Van Loon vindt het wel best in de bijstand, klust aan zijn pas verworven Duplex-woninkje en speelt gitaar. Even overweegt hij leraar Engels te worden, maar dat heeft hij na een week ook al weer gezien. Tussen de potten verf besluit hij zijn boeken nooit meer aan te raken en voortaan alleen nog maar te schilderen en te tekenen.

Dat loopt anders. Een van zijn tekeningen – trol met bijl kijkt boos naar boom met dwerg – schreeuwt om een verhaal, hij schrijft het op een middag op en stuurt het naar Brabants Dagblad. Enige tijd later zijn het er ruim honderd, door zijn trotse vader in kloeke mappen gestopt, overzichtelijk met vulpen van inhoudsopgaven voorzien.

In die tijd ontstaat ook Foeksia, zijn oudste personage (‘We kennen elkaar inmiddels 34 jaar’), maar die krijgt hij niet uitgegeven. De Tilburgse uitgever van boekjes voor beginnende lezers Zwijsen wil wat anders van hem: korte boekjes, zinnen van acht woorden, nooit meer dan twee lettergrepen tegelijk. En zo wordt, dertig jaar geleden, verrassend, zijn officiële debuut Boven op tante Agaat (1983).

Hoewel hij het aardig druk met Brabants Dagblad en zo’n vijf eerste leesboekjes per jaar, kan hij er dan nog steeds niet van leven. Dat kan Van Loon niet schelen, als het zo was gebleven had hij het waarschijnlijk nog steeds gedaan. Maar stiekem werkt hij aan een groter project: een raamvertelling over een griezelgenootschap, waar uiteindelijk op advies van zijn uitgever het griezelgenootschap wordt vervangen door een bus.

Dan vraagt zijn uitgever hem: ‘Wil je niet ook eens wat anders doen? Bijvoorbeeld iets over ballet?’ Paul geeft het historische antwoord, waar hij ook vandaag nog droogkloterig bij kijkt: ‘Mag het ook iets met vampiers zijn?’ Na De Griezelbus (1991) komt de nog veel succesvollere Dolfje Weerwolfje (1997) en in het kielzog daarvan eindelijk het late succes van Foeksia de Miniheks (1989).

Paul van Loon is ineens een begrip. Kinderen, vooral die van een jaar of zeven, vreten hem en geven hem naast bestsellerstatus tien keer de Prijs van de Kinderjury. De teller van Dolfje Weerwolfje staat inmiddels op meer dan één miljoen boeken. Zelfs kinderen die lezen haten – of misschien júist die kinderen – lezen Paul van Loon.

Alleen grijze dagbladrecensenten kunnen zijn bloed wel drinken. Ze omschrijven zijn werk als oppervlakkige pulp. Nooit wint hij een Griffel en hij wordt op zijn best als fenomeen besproken. Helemaal terecht is dat niet. Paul van Loon is zeker geen Guus Kuijer, maar er is wel wat meer over zijn werk te zeggen dan dat. Al was het maar dat hij zonder het ‘yes’ en ‘chill’ van andere populaire schrijvers helder, beeldend en ritmisch zuiver Nederlands schrijft met hier en daar nog een geestige alliteratie ook.

En zijn keus voor gezellige griezelliteratuur is, tien jaar voor Harry Potter, hoogst origineel. Sprookjes worden in Nederland als literatuur gezien, horror bleef in Nederland altijd op het niveau van volksverhalen. Van Loon neemt een unieke plek in door, twee generaties na Pierre Kemp, Nederlandse kinderen hun monster om de hoek terug te gegeven. ‘Weerwolven zijn zo Nederlands als wat, alleen weet bijna niemand dat meer.’

En oppervlakkig? Zijn helden zijn gewóón, worstelen met alledaagse dingen: gepest worden, anders zijn dan de rest. Ze staan hun mannetje, en dat gaat niet vanzelf. Als hij een boodschap heeft, dan is het dat monsters ook maar mensen zijn. Van Loon gunt iedereen zijn eigen plekje op aarde. De opmerking ‘monsters zijn nog erger dan buitenlanders’ van buurman Knieper in Nooit de buren bijten maakt hij zeker niet per ongeluk.

Van de grote Griffelauteurs bewondert hij vooral Paul Biegel. Hij laat een foto zien waarop hij – weer in zo’n zwart spijkerjack – nog haar heeft en oogt als een magere kraker, de keurige Biegel al een oud vogeltje. ‘We hadden met een aantal bekende kinderboekenschrijvers een kettingverhaal in de Volkskrant. Biegel was na mij aan de beurt en belde na mijn bijdrage op: je hebt me gered, dank je! Er zit eindelijk verháál in.’

‘Kijk’, zegt hij wijzend naar een plank met de nog steeds door zijn zesentachtigjarige vader trouw georganiseerde plakboeken, ‘dat is alles wat er over mij geschreven is. De eerste tien jaar zitten in één map. Tegenwoordig heb ik een of twee van die boeken nodig voor een jaar. Die enkele negatieve recensie… Nee, dat kan me echt heel weinig schelen.’

De enige keer dat hij in het echte leven betrapt is op een boze opmerking was toen hij voor het eerst in jaren een Prijs van de Kinderjury niet naar hem maar naar het anonieme Italiaanse schrijverscollectief achter Geronimo Stilton zag gaan, vertegenwoordigd door een werkstudent in een muizenpak. Die staat naderhand in de coulissen een sigaret te roken en vergeet de oorkonde in de kleedkamer. ‘Nou ja, boos, boos. Dat is een groot woord. Maar ik stuur toch ook niet een student in een Dolfje-pak?’

Collega’s kent hij – op vrienden Sjoerd Kuyper, Jacques Vriens en Bies van Ede na – nauwelijks. De rest van zijn makkers zijn van vroeger of muzikant. Nederlandse literatuur leest hij überhaupt niet. Ja, Jeroen Brouwers vindt hij mooi, vooral de serie De Bierkaai. Zijn dat niet nu net die boeken zijn waarin hij in barokke zinnen vilein de hele Nederlandse literaire entourage afvlamt? Van Loon lacht nauwelijks hoorbaar binnensmonds achter zijn donkere glazen en zegt niks.

Hij is met andere dingen bezig. Het Autotron van de drukbezochte Griezeldagen is niet meer, het Griezelgenootschap en de nagebouwde bus ontmanteld en al weer bijna vergeten, het geraamte hier op zijn kamer en de grafzerk van Onnoval bewaakt de border van zijn tuin.

Met klassenlezingen (moest-ie veel te vroeg voor op) en brieven beantwoorden (vijftien uur per week werk) is hij gestopt, hij ontvangt zijn fans nu twaalf keer per jaar met zijn band Paul van Loon & Andere Snuiters in het theater. Verder werkt hij samen met de Efteling aan een attractie en is hij zijn boeken voor oudere kinderen toegankelijk aan het maken voor jonge kinderen door de illustrator van Dolfje Weerwolfje wat minder enge illustraties te laten maken.

Wat hij belangrijk vindt? Betaalbare en leesbare boeken voor iedereen. Ouders die hem opgelucht vertellen dat hun dyslectische zoon eindelijk leest. Of dat bijna volwassen meisje van negentien recent in Rotterdam, dat zo vreselijk moest huilen toen hij haar een handtekening gaf.

‘Stukgelezen Dolfje onder de arm. Tien jaar geleden op een van de laatste Griezeldagen in Rosmalen had haar moeder na een hele tijd wachten gezegd: we gaan naar huis. Daar stond ze dan na al die jaren voor mijn tafel voor een handtekening, met datzelfde boek. Dan denk ik: waar heb ik dat toch aan verdiend?’

‘En het schrijven zelf natuurlijk, laten we wel wezen.’ Paul van Loon mag altijd doen waar hij zin in heeft, hij werkt zeven nachten per week, van negen uur ’s avonds tot een uur of vier. Helemaal alleen, in de stille nacht, met zijn gitaren. ‘De mooie momenten zijn als iedereen ligt te slapen en een verhaal gaat lopen, als ik het helemaal voor me zie en mijn beelden alleen maar bij hoef te houden. Meestal is er na negen maanden wat klaar. Dan roep ik mijn vrouw en mijn dochter en dan gaan we uit eten.’

De middag is inmiddels vergevorderd als Van Loon met zijn Dolfje sleutelbos bij de voordeur staat. De rolluiken zijn nog steeds dicht en ondanks de moderne bakstenen zou zijn woning nog best door kunnen gaan voor een Vinex-spookhuis. ‘Moet je niets achter zoeken joh’, zegt Van Loon. ‘Wij zijn gewoon niet zulke ochtendmensen.’ Wijzend naar de dijk achter de bomen: ‘Je hoort ze nog wel eens, kinderen, fietsend op de dijk: daar woont-ie!’ ‘Wie?’ ‘Paul de Leeuw! Ja, dan is mijn dag goed.’

Dit interview verscheen in MEST, oktober 2013. De illustratie is gemaakt door Martyn F. Overweel.