zaterdag 10 mei 2003

**** (4) voor Carl Hiaasen Uil

In Coconut Cove valt niks te beleven. Het is de ideale laatste rustplaats voor zongebruinde bejaarden, waar commandanten van de politie hun pensioengerechtigde leeftijd afwachten met eenvoudige verkeersovertredingen en verdwaalde toeristen. Eén willekeurige dag doorbrengen in Coconut Cove is zo verrassend als een golfbal.

Mis! In de knotsgekke milieukrimi Uil van de Amerikaanse bestsellerschrijver Carl Hiaasen moet al na drieëndertig bladzijden geconcludeerd worden dat er wel degelijk iets crimineels aan de hand is in Coconut Cove. ‘Geen harde grote-stadsmisdaad, maar geschifte echt-iets-voor-Florida-misdaad’, zoals een van de slachtoffers verzucht.

Gelukkig maar. De elfjarige Roy Eberhardt, hoofdpersoon van Uil, was al bang dat het saai zou zijn in zijn nieuwe woonplaats. Gewend aan het ruige buitenleven in de bergen van Montana, vindt hij het platte Florida maar niks.

Op de eerste dagen na de schoolvakantie ontdekt hij dat er een jongen op blote voeten rondrent in Coconut Cove, die net zo oud is als hij, maar op geen enkele school in de omgeving bekend is.

Ook is er ’s nachts een milieuactivist actief, die alles op alles zet voor een ogenschijnlijk onbenullig doel: geen pannenkoekenhuisje van Moeder Paula in Coconut Cove. Er verschijnen alligators in de mobiele toiletten van de bouwvakkers, piketpaaltjes die aangeven waar er geheid moet worden verdwijnen om de haverklap, giftige watermocassinslangen jagen de waakhonden weg en op het moment dat er eindelijk gebulldozerd kan worden heeft iemand de besturingsstoelen van de graafmachines losgeschroefd en meegenomen.

Wat kan er toch verkeerd zijn aan Moeder Paula’s Oud-Amerikaanse Pannenkoeken? En wat hebben de door de wet beschermde, uiterst zeldzame uilen die in holen in de grond leven er mee te maken?

De kale Curly, aannemer van het bouwproject, wil het graag weten. En hij niet alleen. Ook de ambitieuze agent Delinko en de aalgladde public relations-manager van de pannenkoekenfirma Chuck E. Muckle zitten achter de ongrijpbare eko-vandaal aan en lopen elkaar daarbij hoofdzakelijk voor de voeten. Uil is in de eerste plaats een waterval van onweerstaanbare sarcastische slapstick tegen het decor van palmbomen, idyllische stranden en lagunes.

Wie Hiaasens werk kent, weet dat dit niets anders betekent, dan dat de in eigen land zeer gewaardeerde satiricus weer lekker op dreef is. In zijn komische thrillers verzint hij met duivels genoegen telkens opnieuw barokke verwikkelingen waarin corrupte politici, mislukte carrièrejagers, stripdanseressen en andere zelfkantfiguren hun bedenkelijke rollen spelen.

Uil schreef hij voor kinderen met precies dezelfde humor, maar zonder de ranzige details uit de rest van zijn werk. En met doorslaand succes, althans in Amerika. Of die populariteit hem in Nederland gegund zal zijn, is nog maar de vraag. Hier worden zijn spannende Florida-satires voor volwassenen zo slecht verkocht, dat zijn uitgever heeft besloten hem niet meer te vertalen. Zou het hem in de kinderboekenwinkel beter vergaan?

Dat valt te hopen, want Uil is een van de leukste kinderboeken die in jaren verschenen is. De plastische straattaal die Hiaasen normaliter bezigt is door de vertaling dan wel verdwenen, maar zijn satirische toon en scherpe ironie is rechtovereind gebleven.

Het verhaal van de grote boze projectontwikkelaar die beschermde diersoorten omver dreigt te walsen is bovendien herkenbaar voor kinderen uit alle landen. Volgens Hiaassen hebben corrupte politici en schaamteloze zakenmannen het Florida van zijn jeugd verpest. Dit thema komt dan ook veel van zijn boeken en journalistieke columns terug. Gelukkig kan hij over dit politiek o zo correcte onderwerp schrijven alsof hij smoezelige paleisgeheimen en smerige spionagezaken onthult.

Helaas lukt het zelfs hem niet om uit de buurt te blijven van het klassieke Amerikaanse gedram. Ook in dit boek worden ‘opgestaan’ voor ‘waar je in gelooft’ en aan het glorieuze eind hand in hand zingend gedemonstreerd tegen het Kwaad. Maar daar blijft het bij. Het gaat om een paar bladzijden die je uit het boek kunt scheuren zonder iets te missen. Verder is het boek vooral om te lachen en bovenal bijzonder spannend.

Het prettige van hoofdpersoon Roy Eberhardt is dat hij zijn problemen, net verhuisd en natuurlijk gepest, bestrijdt door op een geheel eigenzinnige manier in de aanval te gaan. Zijn leven maakt hij er niet makkelijker mee, maar voor het verhaal is het wel zo aangenaam.

Als hij vanuit de schoolbus opnieuw de geheimzinnige barrevoetse jongen ziet, gaat hij er meteen achteraan. Daarvoor moet hij wel eerst met een ongerichte stomp de neus breken van de grootste pestkop van de school en komt hij in botsing met voetbalster Beatrice de Beer, ook al geen lieverdje, zodat hij nu twee vijanden heeft. Maar hij ontsnapt en de achtervolging eindigt kilometers verder op een golfbaan, waar hij door een verdwaalde bal knock out wordt geslagen.

Daarmee is de toon gezet. Hiaasen heeft een scherp gevoel voor bizarre details op het juiste moment en schrijft op zo’n manier over een doodgewone, dagelijkse werkelijkheid, dat die geheimzinnig en fascinerend wordt. Dat heerlijke, prikkelende gevoel dat alles klopt en over iedere wending diep is nagedacht, is er al vanaf de eerste regel.

Nooit gebeurt er iets zomaar, altijd zit er iets achter. Over de personages vertelt hij precies genoeg om te geloven waarom ze doen wat ze doen, hoe idioot het soms ook is.
De kracht van Hiaasen is dat alles genadeloos in elkaar past en zo wordt de lezer meegezogen in een wereld die veel raadselachtiger is dan die van hemzelf, terwijl het allemaal toch echt zou kunnen gebeuren.

Dit is het soort ‘middenliteratuur’ – goed geschreven, toch toegankelijk – dat voor kinderen nog veel te weinig wordt gemaakt. Het is te vergelijken met Nederlandse schrijvers voor volwassenen als Tim Krabbé en Rascha Peper, of Hiaasens Amerikaanse kinderboekencollega Louis Sachar die met het knappe boek Gaten in 2001 nog terecht een Zilveren Griffel won.

Deze auteurs slagen in er met eenvoudige elementen verhalen te maken die nét iets meer vertellen dan wat er staat. Maar niet zoveel dat er een literatuurprofessor aan te pas moet komen om de boodschap weer te ontrafelen.

En het belangrijkste is nog wel: Hiaasen bereikt misschien wat minder diepgang dan sommige andere auteurs in zijn genre, maar daar komt wel iets uitermate kostbaars voor in de plaats. Humor.

Iedere zichzelf respecterende tien-plusser móet dit boek in de kast hebben.

vrijdag 20 september 2002

**** (4) voor de prentenboeken van Lauren Child

Eigenlijk verdient elk van de prentenboeken van nieuwkomer Lauren Child een zelfstandige recensie. Maar daar is geen beginnen aan, want eens per kwartaal produceert de Engelse knipkunstenares een nieuw feestelijk voorlees- en aanwijsboek. Daarom haar eerste vierling, die sinds de zomer van het vorige jaar verscheen, in één keer.

Knip- en plakkunst is geen unicum in kinderboekenland. Child bevindt zich in het gewaardeerde gezelschap van gevestigde artiesten als Wolf Ehlbruch en Gerda Dendooven. Leiden de creatieve uitspattingen van deze twee echter tot houterige en sombere collages, Child weet het papier tot leven te brengen.

Haar meest recente titel is Ik ga nog niet naar bed. Het is het tweede deel van de serie over Lola en haar Karel. Lola is een leuke maar lastige kleuter, die liever kwebbelt dan naar bed gaat of haar bordje leegeet, en Karel haar oudere broer. Met een liefhebbende zucht probeert hij elke keer weer een opvoedkundige hindernisbaan te overwinnen.

Net als in het eerste deel, Dat lust ik niet, gaat Karel met enige tegenzin mee in de fantasiewereld van zijn zusje. Hij geeft de tijgers óók een glas frambozenmelk, verzoekt de walvis vriendelijk om door het afvoerputje van de badkuip te verdwijnen en belt de dansende honden op om te vragen of zijn zusje hun pyjama mag lenen. Dat ze hem daarmee een loer draait neemt hij voor lief.

Het is deze sympathie voor charmante deugnieten die voorkomt dat de prentenboeken van Child in doorzichtige pedagogische hulpmiddelen veranderen. Haar collages zijn in de eerste plaats ‘om te lachen’.

Er is veel te ontdekken in de decors, waar Child haar hoofdpersonen heeft geplakt. Waar nodig gebruikt ze foto’s, textiel en andere materialen om haar tekeningen kracht bij te zetten. De teksten slingeren tussen de plaatjes door en vertellen wat er gebeurt. Elk personage praat in zijn eigen, bijpassende lettertype.

De twee andere boeken richten zich op een iets oudere leeftijdsgroep. Klaartje Boon heeft een kanjer van een oom vertelt over de jongere broer van de moeder van Klaartje. Oom Ted is brandweerman en vreselijk stoer, maar heeft van opvoeden geen kaas gegeten. Als hij op Klaartje en haar broertje en zus komt passen gaat er van alles mis.

Maar mijn absolute favoriet is het dit voorjaar verschenen Bang voor de boekenwolf. Het geestige en tegelijk griezelige verhaal is gebaseerd op angst van een jongetje dat de grote boze wolf van Roodkapje uit het sprookjesboek stapt. Als moeder vergeet om het boek mee te nemen na het voorlezen, krijgt Erik bezoek van de Grote en de Kleine Wolf.

Child laat een fraai staaltje sprookjeshumor zien, waarin onder meer de Kleine Wolf de jurk van Assepoester krijgt en in haar plaats naar het bal gaat en de toverfee de Grote Wolf in een rups verandert, die Roodkapje met weinig succes angst probeert aan te jagen.

Recensenten zijn er nogal happig op om jonge auteurs te vergelijken met successchrijver Roald Dahl, maar in dit geval denk ik dat het terecht zou zijn. Bang voor de boekenwolf geeft in elk geval aangename associaties met Dahls Gruwelijke rijmen.

De verhalen van Child zijn niet zo wreed als die van Dahl, maar wel met dezelfde ironie (‘Op het plaatje was goed te zien dat de wolf een hekel had aan tandpasta’) en met hetzelfde kinderlijk gevoel voor overdrijving en rechtvaardigheid geschreven. Child verdient het bovendien vergeleken te worden met Dahls favoriete illustrator Quentin Blake.

Grote woorden? Oordeel zelf! Ik ben in elk geval dolblij met deze nieuwe kinderboekenmaakster, die meteen op de kaft weet te verassen en elke bladzijde beter bevalt.

Deze recensie verscheen in september 2002 in de boekenkatern van het Algemeen Dagblad onder de titel 'Vermakelijke opvoedkundige hinternisbaan'. Karel heet tegenwoordig Charlie, naar de televisieserie. Lauren Child heeft haar boekenproductie uitbesteed en er is sprake van enige overproductie. Klaartje Boon is geen blijvertje, maar Charlie en Lola blijven het hele leuke prentenboekenpersonages.

zondag 1 september 2002

***** (5) voor Walter Moers: De 131/2 levens van kap'tein Blauwbeer

Een marineblauwe zeebeer zonder verleden. Een professor met zeven breinen, waarvan er vier op pootjes uit zijn hoofd steken. Een stad in een tornado. Dwergpiraten en klaboutergeesten. Het is lang geleden dat ik zoveel onzin bij elkaar heb gezien én heb geslikt als zoete koek. Werkelijk niets gaat de Duitse striptekenaar en anarchist Walter Moers te ver in zijn eerste kinderboek. Als het tenminste een kinderboek is.

De 13 1/2 levens van kap’tein Blauwbeer is het (halve) levensverhaal van een vertederend en een tikje onnozel beertje uit het lang geleden verdwenen continent Zamonië, dat ergens tussen Europa en Amerika moet hebben gelegen. Blauwbeer vertelt over dertien van zijn avontuurlijke ‘levens’. In totaal heeft een blauwbeer 27 levens te gaan, maar de rest houdt hij graag voor zichzelf.

Aan die dertien heeft Moers echter genoeg om te laten zien hoe moeiteloos hij een bizar universum barstensvol verhalen en ongelofelijke schepsels kan verzinnen. En als het allemaal te grotesk dreigt te worden, filosofeert hij even gemakkelijk bladzijden lang over verschillende soorten knopen of de edele kunst van het pizza-beleggen. En geloof me: deze fantasie-encyclopedie gaat niet vervelen.

Minpuntje is dat Moers zich niet geneert om zijn enorme woordkennis te etaleren. Voorleesvaders en –moeders zijn gewaarschuwd. De kinderen zullen willen weten wat ‘bestiariumlyriek’, ‘nepotisme’ of ‘militant romantisch’ betekent. Het kan geen kwaad om de Dikke van Dale klaar te leggen.

Overigens schrijft Moers zo scherp, zo beeldend, zo vol verassende details en vooral zo satirisch-komisch, dat die paar woordenboekwoordjes alleen maar bijdragen aan de exotische feestvreugde van zijn taal. Op de plekken waar woorden overbodig zijn, zet hij zijn verhaal bij kracht bij met tekeningen in zijn herkenbare humoristische stijl, die het boek zo toegankelijk maken als een stripboek. En bovendien niet zelden op de lachspieren werken.

Het absolute hoogtepunt van de roman is een strijd tussen twee vermaarde leugengladiatoren. Liegen is in Atlantis, de hoofdstad van Zamonië, een populaire sport en vermaarde fantasten dagen elkaar voor groot publiek uit om de beste onzinverhalen aan elkaar op te dissen. De wedstrijd is pas afgelopen als een van de twee gladiatoren opgeeft. Dat kan na dágen zijn als het moet.

Iedere schrijver verraadt ergens in zijn boeken zijn geheime motieven en Moers doet dat hier. ‘Dichterbij het einde van mijn fantasie ben ik nooit meer gekomen’ verzucht Blauwbeer, die natuurlijk ook leugengladiator wordt, tijdens het spannendste duel van zijn carrière. Voor de lezer is op dat moment de grote vraag: houdt Moers dit vol en hoe lang nog? Zijn roman heeft veel weg van een recordpoging om de knapste opschepper van de geschiedenis te worden.

Moers verheft in Blauwbeer grootheidswaan, net als in zijn strips, tot kunst. Deze roman voor alle leeftijden dingt naar een plaats in de eregalerij van literaire leugenaars en charmante oplichters en steekt schaamteloos en zelfverzekerd eeuwenoude letterkundige meesterwerken als Ware verhalen van Lucianus, Gullivers reizen en Baron van Münchhausen naar de kroon. Dat is niet bescheiden. Of zijn poging slaagt, moet ieder voor zich uitmaken, maar innemend is Moers in al zijn blaaskakerigheid wel. Eén ding bewijst hij met verve: literatuur is overtuigingskunst.

Deze recensie verscheen in september 2002 in de boekenkatern van het Algemeen Dagblad. Het boek werd geen bestseller, maar is nog steeds te koop en heeft een schare enthousiaste fans, vooral onder (jong)volwassenen. Je zou het een cultboek kunnen noemen.

dinsdag 13 augustus 2002

*** (3) voor Melvin Burgess Foxy, mijn leven als een teef

De hondse hel van het zeventien-zijn

Hondenseks! Vijf jaar geleden riep het keiharde Junkies (1997) van de Britse auteur Melvin Burgess (1954) in eigen land al veel discussie op en het decor van het daaropvolgende Bloedtij (2000) is een orgie van incest, bloederige moordpartijen en vileine complotten. Wat heeft hij hier nog aan toe te voegen?

Dat valt reuze mee (of tegen). Het gegeven van het nieuwste boek van Burgess, Foxy, mijn leven als een teef, is op zich gruwelijk genoeg, maar veel verder dan een rauw-realistische versie van Walt Disneys hondenklassieker Lady en Vagebond gaat het niet.
De knappe zeventienjarige Sandra uit Manchester is hard op weg om haar reputatie als ‘teef van de buurt’ waar te maken, als een alcoholistische zwerver met magische krachten haar ook daadwerkelijk in de vrouwtjeshond Foxy verandert.

Larie natuurlijk, maar Burgess werpt door zich verder wél aan de wetten van de werkelijkheid te houden, toch een interessante blik op het leven van alledag. Vanuit hondenperspectief wel te verstaan.

Als Sandra van de schok bekomen is, beseft ze dat een leven in een harig lijf met vier poten helemaal zo slecht nog niet is. Bevrijd van zorgen en schuldgevoel kan ze de hele dag doen waar haar hart naar hunkert.

Burgess is op zijn sterkst als hij de roes beschrijft van jagen, spelen, verscheuren, elkaar achternazitten en, als je loops bent, twintig keer per dag een ruige reu op je rug. Waar normaliter in tekenfilms van beesten mensen worden gemaakt, doet Burgess het tegenovergestelde. En dat is ook wel eens lekker.

Toch slaat de twijfel toe bij Foxy-Sandra. Het is moeilijk om de familie en vrienden waar je van houdt te vergeten, ook al behandelen die je als een schurftige straatschuimer. Word je helemaal hond, of behoud je iets van je menselijke waardigheid, is dan de vraag. Hier blijkt hoe goed Burgess de hondse hel van het zeventien-zijn heeft begrepen.

Het is daarom enorm jammer dat het boek even zo plotseling ophoudt. Na 150 prachtige pagina’s over de moeilijke keuze die iedere puber moet maken tussen zijn hormonen en de beschaving, neemt Sandra haar hoogstpersoonlijke beslissing en daar moeten we het maar mee doen.

De vraag waaróm Sandra deze ellende allemaal moet meemaken en hoe het verdergaat met de boeiende personages die de auteur heeft geschapen, blijven onbeantwoord, alsof de schrijver er ineens geen zin meer in had en zijn eigen ideetje beu was. Burgess zet hoog in, maar overtuigt uiteindelijk maar half.

woensdag 27 februari 2002

* (1) voor gemoderniseerde Enid Blyton De vijf

Het lijkt zo logisch: de nogal ouderwetse boeken van Enid Blyton (1897-1968) kunnen in het nieuwe millennium, zestig jaar na het verschijnen van het eerste deel, wel een opfrisbeurt gebruiken.

Nu nóg tenenkrommender

‘De zon schijnt, yes!’
‘Zo hé!’
‘Ja, te gek!’

Ze drinken tegenwoordig cola uit blikjes en roepen ‘te gek’ als ze door het dolle zijn. Dus kunnen ze weer vijftig jaar mee, de jongens en meisjes van het roemruchte, in en in Britse kinderclubje ‘De Vijf’.

Zestig jaar nadat het eerste deel van de wereldberoemde successerie van de Engelse lerares en schrijfster Enid Blyton (1897-1968) het levenslicht zag, verschijnen vanaf vorige week alle eenentwintig episodes, van ‘Het gestrande goudschip’ tot ‘Het circusmysterie’ in geheel herziene uitgaven.

En dat is maar goed ook, want de oorspronkelijke boekjes stonden bol van seksistisch en een enkele keer zelfs racistisch gedachtegoed en dat is ‘balen’, om met een van de moderne leden van het eeuwige vijftal te spreken.

Niet getreurd: een team van deskundige redacteuren sneed de ergste uitwassen eruit en nu kunnen de deeltjes weer doen wat ze moeten doen: geduldig stukgelezen worden. Maar dan wel verantwoord.

De politiek niet altijd even correcte ideeën van Blyton, die opgroeide in het Britse Imperium van de eerste helft van de twintigste eeuw, mogen dan ‘tenenkrommend’ aandoen, volgens de Haarlemse uitgeverij Gottmer/Becht die haar werk nu al bijna een halve eeuw uitgeeft, het resultaat van de facelift is niet veel beter.

Het bangelijke popje Annie, de veelvraat Dick, de vriendelijke leider Julian, de jongensachtige George, die eigenlijk Georgina heet, en hun hond Tim beleven elke zomer spannende avonturen in een volstrekt overzichtelijke landschap ergens aan de rand van de geloofwaardige wereld.

Papa bestuurt de auto, moeder is een zorgzame, verstandige vrouw op de achtergrond en de meisjes pakken de picknickmand in terwijl de jongens pruimen plukken. Annie is bang voor koeien en onweer, maar heeft gelukkig twee grote broers, die er altijd zijn om voor haar op te komen. En ze vindt het maar raar dat Georgina George wil zijn, want ‘dan kun je niet met poppen spelen’.

Toegegeven, je moet een feminist van oude stempel zijn om je er nog druk over te maken, want dit is alles wat ervan over is. Door de namen te verwisselen doet Dick in plaats van de zorgzame Annie wel eens de afwas, scènes waarin de jongens autoritair doen tegen het personeel zijn afgezwakt, in de latere delen zijn zigeuners niet bij voorbaat verdacht en is buitenlands circusvolk niet meteen crimineel.

Terecht waarschijnlijk, maar het is net of nu de angel er uit is, ook al het goede van die ouwe trouwe Blyton als een lekke opblaasboot in elkaar zakt.

De nieuwe illustraties van Julius Ros zijn bij voorbaat vreselijk gedateerd. En de gedachte dat de tekst volledig herzien is, maakt de stilistische zwakheden die erin staan nog storender dan die van het origineel. Ze ‘grinniken’ er maar op los, de kids, terwijl ze ‘vrolijk’ het strand op rennen. Alles gebeurt ‘meteen’, met een irritant soort vanzelfsprekendheid in een droomwereld van oppervlakkigheid.

Ouderwetse ideeën kun je maar beter tussen de potkachels en in tochtige oude kastelen laten, dan ze met een blikje cola en hedendaagse vreugdekreten op te dienen. Het suikerzoete amalgaam dat er is ontstaan door Dick, Annie, George en Julian te laten praten als tieners uit 2002, is in ieder geval niet te pruimen.

In plaats van de karakterloze plastic decors van vandaag zie ik liever de beduimelde pockets uit de ouderlijke boekenkast nóg maar een keer gelezen worden door een nieuwe generatie.

Dan maar achterhaald en openlijk politiek incorrect, want dat is tenminste uit te leggen. Ja jongens, zo dachten ze toen. Duizend keer beter dan: in 2002 stopten we benepen gedachtetjes in nieuwe, verantwoorde jasjes voor onze lieve, gevoelige kindertjes. Dát is pas tenenkrommend.

Deze recensie stond begin maart 2002 in het boekenkatern van het Algemeen Dagblad.

zondag 5 november 2000

**** (4) voor Melvin Burgess Bloedtij

De rauwe kant van een klassiek sprookje

De Engelse jeugdboekenschrijver Melvin Burgess heeft er een handje van om de rauwe randjes van het leven op te zoeken. In het populaire Junkies (1997) liet hij al in keiharde scènes zien wat er gebeurt als je terechtkomt in de verleidelijke wereld van feestjes en drugs. Nu is hij terug met Bloedtij. Een boek dat er ook al geen doekjes om windt, al is het verhaal wat minder realistisch.

Bloedtij speelt zich af in Londen over pak ‘m beet een jaar of honderd. De wereld van techniek en vooruitgang is tot een einde gekomen en gewetenloze bendes vechten om de kliekjes van een verwoeste beschaving. Deze duistere toekomst, waar Burgess de lezer op een directe en confronterende manier in betrekt, is geen paradijs op aarde waarin de mens opnieuw wordt uitgevonden, maar een terugkeer naar een oude, mythologische wereld vol armoede en honger, oorlog en bloedwraak.

Sigmund en Signy, een veertienjarige tweeling, zijn de kinderen van een bendekoning. Hun vader besluit om Signy uit te huwelijken aan een vijandige bandietenvorst, in de hoop hem hiermee een lucratief vredesverdrag op te dringen. Het verdrag houdt echter maar kort stand en dat betekent het begin van een orgie van geweld, intriges, incest en vileine complotten.

Het valt ondertussen nauwelijks op dat Bloedtij een moderne versie is van de klassieke Oud-IJslandse sage van Völsung. De auteur heeft dit heldensprookje uit het land van gletsjers en reuzen afgestoft en de wereld ingestuurd als eigentijds science fiction-verhaal. Hij is overigens niet de enige die eerbiedwaardige klassieke literatuur een nieuw leven inblaast (in Nederland is de auteur Imme Dros bijvoorbeeld bezig de hele Griekse mythologie tot jeugdboeken om te smeden) maar zelden gebeurde het zo heftig en aangenaam onverantwoord. Dertienplussers met een beetje eelt op hun ziel zullen er zeker plezier aan beleven.

Jammer dat het boek zo horkerig en onbeholpen is geschreven en in de Nederlandse vertaling een aantal storende uitglijers staan. Een wondertje van schoonheid is het niet. Maar ja. Een slechte smaak hoort bij dit genre. En genieten van een lekker boek heeft – gelukkig – niet altijd iets met hoge cijfers voor stijl te maken.

Bloedtij is een grove en opwindende roman, die bij vlagen hilarisch is en op een wrange manier grappig. Burgess neemt de tijd om het verhaal op te bouwen tot een spannende climax met sterke emotionele momenten en laat de menselijke kant van zijn helden indringend zien. Zijn fantasie slaat vanaf de eerste bladzijde verrukkelijk op hol. Toch is de boodschap duidelijk: al dit geknok leidt uiteindelijk tot niets. De auteur heeft echter geen moralistisch toontje nodig om dat te laten doorschemeren. Fijn: een jeugdboek dat niet ruikt naar zeep.

vrijdag 6 oktober 2000

***** (5) voor Louis Sachar: Gaten

Een boek schrijven dat alle mogelijke literaire prijzen van de Verenigde Staten wint en toch je lezerspubliek, kinderen tussen de twaalf en de vijftien jaar, niet kwijtraken. De Amerikaanse schrijver Louis Sachar lijkt daar met Gaten (1999) aardig in te zijn geslaagd.

In Nederland kreeg het boek afgelopen zomer een Zilveren Zoen. ‘En tóch is het een leuk boek’, vertellen zijn jonge lezers hem, die zich niets aantrekken van wat volwassenen van kinderboeken vinden. ‘Een enorm compliment’, glundert Sachar. Hij kreeg wat hij wilde, maar verloor niet wat hij had.

De kleine grijzende schrijver met de grote brillenglazen en vale spijkerbroek detoneert een beetje tussen het rood velours en het goudstiksel van de chique hotellobby. Het ene moment leunt hij achterover in de bank met zijn gympen op tafel, dan veert hij weer omhoog om met armgebaren zijn woorden kracht bij te zetten. Hij voelt zich een tikje onzeker in Europa, want hij heeft in zijn nieuwste boek de inwoners van Letland opgevoerd als modderworstelende varkenshouders die nog in hekserij geloven. Een grapje over ‘crazy old Europe’. ‘Ik wilde niemand beledigen.’

Het speelse boek Gaten betekende zijn internationale doorbraak. Zijn bundels vrolijke verhalen over schoolkinderen waren tot nu toe alleen bij Amerikaanse lezers en hun leraren bekend. Heel veel lezers, dat wel, maar Gaten was het eerste boek dat door gezaghebbende kranten als de New York Times werd besproken, prestigieuze prijzen won en daarna al snel in 22 talen verscheen.

‘Ik had even genoeg van schrijven over de problemen van schoolkinderen’, vertelt Sachar, die tijdens zijn studietijd klassenassistent en overblijfmeester was op een basisschool. ‘Al mijn verhalen zijn tot nu toe gebaseerd op wat ik toen meemaakte met de kinderen op het schoolplein. Ik wilde wel eens wat avontuurlijkers schrijven. En het moest kunstig in elkaar zitten.’

Voor wie het nog niet gelezen heeft: Gaten is een verhaal over een jongen die vanwege de vermeende diefstal van een paar gymschoenen onschuldig in een strafkamp terechtkomt, waar hij anderhalf jaar lang elke dag een gat van anderhalve meter diep moet graven. Verder komt er een lieve schooljuf die de meest gevreesde bandiet van het Wilde Westen wordt in voor en een vervloekte varkensdief uit Letland en een sadistische gevangenisdirecteur die op zoek is naar iets wat niemand mag weten. Het verhaal speelt zich af in de negentiende eeuw én in het heden.

Wat al deze personages uit verschillende tijden met elkaar te maken hebben is een verassing die tijdens het lezen stukje bij beetje wordt onthuld. Het lijkt alsof Sachar een spelletje speelt met de lezer. ‘Dat is ook zo. Het oplossen van raadseltjes en puzzels is mijn favoriete vorm van vermaak. Hetzelfde plezier wil ik hebben bij het schrijven van mijn boeken. Er gebeuren dingen die helemaal niet lijken te kunnen. En toch past alles in elkaar. Als de ene na de andere ongelofelijke gebeurtenis plaatsvindt terwijl het allemaal blijft kloppen, dan wordt dat op een bepaald moment komisch.’

Niet gek dat ook grote mensen nu met hem weglopen. Maar toch blijft het allemaal licht en luchtig. Alsof het allemaal een grap is. Waarom? ‘Als een boek niet prettig is om te lezen, is het niet goed. Plezier is de essentie van literatuur en kunst. Ik heb in Gaten voor het eerst geprobeerd of ik iets aankon met grote thema’s, God en de Duivel, zonder dat het onverteerbaar schoolmeesterachtig of loodzwaar proza zou worden. Het is een rit in de achtbaan in het donker. Je weet niet precies waar je heengaat maar je weet wel dát je ergens heengaat en dat het uiteindelijk allemaal zo bedoeld is. Dat geeft een gevoel van geluk waar je eigenlijk helemaal geen reden voor hebt. Zo lekker moet lezen zijn. It’s supposed to be fun.’

Dit interview verscheen op 6 oktober 2000 in de boekenkatern van Algemeen Dagblad onder de titel 'Een rit met de achtbaan in het donker.' Gaten werd verfilmd, won een Zilveren Griffel in Nederland. Sachar heeft na Gaten vooralsnog niets noemenswaardigs meer geschreven.