vrijdag 23 juni 2006

**** (4) voor Engström: Dief van de duivel

Interessant personage voor een jeugdroman: een ambitieuze hamster in de etalage van een dierenwinkel van een morsige voorstad. Telkens klimt hij uit het gat van zijn rad om te kijken: ben ik al ergens

Aan het einde van de inktzwarte jeugdroman Dief van de duivel van de Zweedse schrijver en journalist Mikael Engström steekt de rennende hamster zijn kopje voor de zoveelste keer uit de rondsnorrende tredmolen en breekt zijn nek. Zou hij vlak voor dit 'krak' beseft hebben dat hij nog steeds nergens was aangekomen

Welkom tussen de galerijflats van Solna aan de rand van Stockholm, waar de metaforen voor maatschappelijke uitzichtloosheid voor het oprapen liggen. Engström, die zelf in de buurt is opgegroeid en er al eerder over vertelde in zijn internationaal bejubelde roman Tobbe, hoeft ze alleen maar op te schrijven.

En dat is niet iets om vrolijk van te worden. Zoals de docent maatschappijleer van de Hagalundschool zijn 14-jarigen cynisch voorhoudt: 'Minstens tien van jullie zullen voor een misdaad worden veroordeeld. Minstens tien van jullie krijgen drugsproblemen. Minstens tien van jullie zullen een opleiding tot een fatsoenlijke baan niet afmaken.' Waarop de klas zich droogkloterig afvraagt hoe dat kan. Ze zijn maar met z'n vijfentwintigen.

Ze hoeven zich geen zorgen te maken, want ze zijn al een eind op weg. De blonde Håkan doet tijdens de les niet anders dan het handboek Soldaat te velde uit zijn hoofd leren. Hij wil bij de neonazi's en steelt auto's. Hardrocker-in-de-dop Dick bereidt in de kelderbox van zijn ouders zijn beruchte 'kwaliteitswijn': een jerrycan gevuld met gist, suiker, water en wat perendiksap voor de smaak. En Tahsin doet het met een louche handelaartje van bijna dertig.

Het is een vertrouwd beeld van Zweden, waar 80 procent van de ouders fulltime werkt en kinderen het grootste deel van hun jeugd doorbrengen op kinderdagverblijven en scholen, en als ze vrij zijn achter de gamecube of de flipperkast. Officieel worden ze begeleid door in jeugdfilms steevast belachelijk gemaakte pedagogen. In werkelijkheid zijn ze, volgens Engström en zijn collega's, hoofdzakelijk bezig met zichzelf, seks en drugs.

Hoofdpersoon Steppo is in die wereld iets wat je beter niet kunt zijn: een goeie jongen. Met hem zou niets aan de hand zou zijn als die zomer niet zijn vader was doodgegaan. Zijn moeder huilt de hele dag en niemand toont ook maar enige interesse voor zíjn verdriet. Engström registreert met journalistieke precisie hoe hij na vele stille schreeuwen om aandacht bijna vanzelfsprekend verandert in een schouderophalende kruimelcrimineel die kelderboxen kraakt. Een Satans tjuv, zoals dat in het Zweeds heet.

Dit zo herkenbare voorstedenleed is vooral aangrijpend omdat Engström schijnbaar geen enkele moeite hoeft te doen om een op de actualiteit gebaseerd verhaal eruit te laten zien alsof het alleen maar zó verteld had kunnen worden. Schoonheid vindt hij zelfs in de troosteloosheid van de lichtblauw geverfde flats van Solna, die in de volksmond 'Blåkulla' worden genoemd.

Hij verwijst daarmee naar de mythische Blauwe Heuvels waar in Zweedse kinderverhalen de heksen naartoe gaan voor de sabbat en de duivel de namen van slechte kinderen in zijn grote boek schrijft om zich meester te maken van hun ziel. Een literaire gelukstreffer.

Dit soort aardige details zal veel Nederlandse kinderen echter ontgaan. Gelukkig is dat geen enkel probleem, want Engström moet verder niets van toeters en bellen hebben. En dat is precies waarom zijn frisse geluid in ons land zo welkom is. Dief van de duivel is nog compacter en rechtstreekser dan zijn voorganger Tobbe, waar Engström vorig jaar zeer terecht een Zilveren Zoen mee won.

Uit het land van Astrid Lind-gren en Selma Lagerlöf komen vaak goede dingen, en het groeiende oeuvre van Engström is daar geen uitzondering op. Dief van de duivel laat zich lezen als een 19de-eeuwse, naturalistische roman, waarin drop-outs aan de onderkant van de samenleving volgens natuurwetten ten onder gaan, en schaart zich daarmee in de rijen van hedendaagse, niets verbloemende jeugdauteurs als Floortje Zwigtman, Karlijn Stoffels, Kevin Brooks en Melvin Burgess.

Alleen is er bij Engström nog hoop. En dat is het enige jammere aan dit boek. Aan het einde maakt hij expliciet wat je als lezer al het hele boek tegen Steppo wilt schreeuwen: ga nu met die aardige politieman praten! Dat maakt het laatste hoofdstuk wel heel erg zoet. Want dat dát de eenvoudige oplossing van al je problemen kan zijn, weet de gemiddelde Nederlandse tiener zo langzamerhand ook wel. Alleen heeft niet iedere probleemwijk zo'n aardige politieman.

Deze recensie verscheen op 23 juni 2006 in de boekenkatern van De Volkskrant.

vrijdag 27 januari 2006

Wim Hofman: 'Ik werd een beetje berucht - per ongeluk'

De conservator van het Letterkundig Museum heeft hem gewaarschuwd: ‘Alles op stapeltjes laten liggen, Wim!’ En dat is nodig, want Wim Hofman gaat zonder handschoenen en zonder respect door zijn levenswerk, dat bestaat uit beschilderde stukken triplex, een stuk bed van zijn oma met een zeegezicht erop, bij elkaar gesprokkeld hout en stenen, poppetjes gemaakt van blaasjes zeewier, een verroest blikje met zo’n ouderwetse sleutel en stapels kromgetrokken dik besc>hilderd papier van alle soorten en formaten. ‘Ze beschouwen dit hier allemaal als kunst. Voor mij zijn het maar plaatjes.’



Hofman (64), kinderboekenschrijver, illustrator, dichter, beeldend kunstenaar, vergelijkt zijn werk graag met Afrikaanse kunst, die ook spontaan en al doende ontstaat. ‘Wat Afrikanen maken is zo vol geheim! Dat kan je niet uitleggen en dat dóen zij ook niet. Wij westerlingen moeten altijd het mysterie oplossen, het verhaal kennen. Wat er gebeurt met de voorwerpen die ik bewerk of de teksten die ik schrijf, dat begrijp ik gelukkig zelf soms niet. Alleen dán ontstaat poëzie en raken eenvoudige voorwerpen bezield.’

Zijn werk niet geschikt voor kinderen? Hofman een elitaire kinderkunstenaar in de marge? De Zeeuw haalt zijn schouders op. Heel even maar, nauwelijks zichtbaar. Het interesseert hem geen bal. Dat zie je zo. Maar hij is te beleefd om het hardop te zeggen. En dus glimlacht hij en vraagt: ‘Ach, hoe goed kennen wij onszelf?’

Hofman wilde niet eens kinderboekenschrijver worden, maar missionaris. Ontwikkelingswerker. En als hij echt eerlijk is: avonturier. Betrokkenheid met de minder bedeelden werd er bij hem thuis met de paplepel ingegoten, maar eigenlijk wilde hij gewoon Kuifje achterna. Naar Afrika. Struinen, rivieren afvaren en vrij zijn, zoals zijn held Huckleberry Finn. ‘Negentiende-eeuwse romantiek, ik weet het. Naïef.’

Uiteindelijk is hij na zijn niet voltooide missionarissenopleiding maar drie maanden in Oeganda en Tanzania geweest. Daar in de rimboe ontdekte hij dat hij het voorbereiden op zijn wereldreizen spannender vond dan het reizen zelf. ‘Ik kwam erachter dat je helemaal de deur niet uithoeft. Je kunt een landkaart gewoon verzinnen. Net als de hevigheid van de storm waar je in verzeild raakt.’

Het vlot (Van Holkema & Warendorf, 1988, Gouden Griffel) is een veelzeggende metafoor voor de eerste dertig jaar van zijn leven: de verteller slentert rond in het platgebombardeerde Vlissingen van vlak na de oorlog. Er is niets te beleven en dus bedenkt hij een vlot en wat hij mee moet nemen. Hij maakt lucifers waterbestendig met kaarsvet en leert zichzelf vissen en zwemmen. Maar het vlot breekt kort na de tewaterlating in stukken tegen een meerpaal. Einde boek, niets beleefd. Of toch?

Grinnikend: ‘Het Sint Pauluscollege van de Witte Paters in het Vlaamse Sterksel was een echte jezuïetenschool, inclusief dertig dagen retraite. Ik leerde er hoe je moest overleven in de wildernis, wat ik als twaalfjarige prachtig vond. Ze hadden zelfs een afdeling Overleven op de Noordpool! In werkelijkheid werd ik opgeleid tot heilige. Ik leerde dat lijden goed was voor de mens. We werden gevormd, geknecht zelfs. Maar ik werd er alleen maar productiever van. We moesten vaak alleen zijn en zwijgen. Dan is schrijven en tekenen ideaal.’

Kale kamertjes met een eenvoudig bed, tafel, kast en stoel zijn nog altijd symbolen van zijn puberale kluizenaarsbestaan. Net als de zee, waar hij met vlotten en vliegtuigen over ontsnapte, duiken ze vaak op in zijn tekeningen. ‘Eigenlijk was het een geweldige tijd. Jammer dat je zulke scholen niet hebt in Nederland.’

Meer nog dan de wildernis kreeg de kunst hem te pakken. Door een enthousiaste leraar maakte hij kennis met de dichters van Atonaal: Hans Andreus, Lucebert, Hugo Claus, Hans Lodeizen. Hij vond er zijn grote voorbeelden, de surrealist Paul Klee en de nonsensdichters Lewis Carroll en Edward Lear. ‘Die laatste kon verhalen verzinnen over mensen die de oceaan overstaken op een theezeefje. Ik vond het fantastisch, dat dat op papier allemaal kon.’

Hij maakte als een bezetene muziek, gedichten, verhalen, tekeningen, schilderijen. In de schoolkrant, die naar de thuis achtergebleven gezinnen van de jongens ging, publiceerde hij zijn eerste kinderverhalen. Zijn leraren stimuleerden hem om daar mee door te gaan.

Dat deed hij dan maar. Nadat hij met zijn laatste centen uit donker Afrika terug naar Europa was gevaren, woonde hij de tweede helft van zijn leven in Vlissingen, keurig getrouwd. Hij nam een deeltijdbaan als adjunct-directeur van de Vlaamse Cultuurraad zodat hij - ‘heel modern in die tijd’ - voor zijn zoon en dochter kon zorgen en zat daar tot zijn pensioen.

In de tijd die hij over had maakte hij kunst van het materiaal dat hij, letterlijk en figuurlijk, bij elkaar jutte op het strand van zijn jeugd. ‘Ik ging met mijn middelbareschoolverhalen naar een uitgever en die wilde ze tot mijn verbazing nog uitgeven ook. Met mijn eigen illustraties.’ Dat werd: Welwel, de zeer grote tovenaar en zes andere doldwaze verhalen over ridders, tovenaars, matrozen, krentenbollen, cowboys, indianen en over een planeet (Van Hoeve, 1969). ‘Zo werd ik kinderboekenschrijver.’

Hij gebruikt het woord nog steeds niet graag, maar er volgde desalniettemin een eigenzinnig en door een handjevol deskundigen zeer gewaardeerd oeuvre. Het meest opvallend zijn de barokke, absurdistische avonturenverhalen waar hij mee begon. Later schreef hij realistische portretten van kinderen in de verdrukking. Dat waren de boeken waar hij ‘een beetje berucht’ mee werd. Per ongeluk.

In alles wat hij doet, dringt die zelfverkozen naïviteit zich op. Hoewel je hem ook juist het tegenovergestelde van naïef zou kunnen noemen. Vooral in zijn realistische boeken doemt een pijnlijk eerlijk beeld op van jeugdellende. Niks heerlijke kindertijd: ouders zijn levensgevaarlijk, ze laten je net als Klein Duimpje achter in een bos als het ze even zo uitkomt. En anders scheiden ze wel of zadelen je ze op met de meest onredelijke verwachtingen. ‘Volwassenen doen uiteindelijk gewoon wat ze willen. En dat is meestal niet veel goeds.’

In de jaren zeventig stond hij met die opvatting zeker niet alleen. Bij Hofman ontbreekt echter de geruststellende ironie, die zijn even kritische tijdgenoot Guus Kuijer salonfähig maakte en Hofman verbande naar de coulissen. Zijn met alle mogelijke prijzen bekroonde boeken worden mondjesmaat verkocht en het grootste deel is nauwelijks nog verkrijgbaar.

Hofman is dan ook niet een auteur die het zijn lezers gemakkelijk maakt. Niemand wordt bij hem gelukkig, niets wordt even rechtgezet of verklaard. Nooit is er zoete wraak of een geruststellend slot. ‘Ik heb nu eenmaal geen boodschap en geen oplossingen. Het zijn maar overdenkingen. Ik heb nooit ergens een boegbeeld van willen zijn.’

En er waren nogal wat ouders die zijn ‘overdenkingen’ niet op prijs konden stellen. Hofman reisde in de jaren zeventig van ouderavond naar ouderavond om zijn boeken uit te leggen. Vooral Wim (Van Holkema & Warendorf, 1976, Zilveren Griffel) riep tegenstrijdige reacties op. ‘Eén angstig moment herinner ik me nog. Ik had net die prijs gewonnen en er waren mensen boos. Ik ging in die tijd wel vaker ’s avonds naar scholen, maar nu moest ik naar een afgeladen turnzaal. Of ik nog meer seksboekjes ging schrijven voor kinderen, werd er gevraagd. Omdat Wim een condoom vond in zijn garnalennetje! En ik maar verlegen naar de ringen aan het plafond staren, bang dat ze me gingen lynchen.’

‘Wim ging niet eens over seks, maar over een jongetje dat toevallig Wim heette, waarvan de ouders gingen scheiden. Ik had het geschreven omdat ik zelf net kinderen had gekregen en in mijn vriendenkring zo veel ouders alweer uit elkaar gingen. Ik vroeg mij af hoe eenzaam hún kinderen zouden zijn. Eigenlijk heel sympathiek toch?’

Later is hem ook nog verweten niet alleen te expliciet, maar ook te somber en te moeilijk te zijn voor kinderen. Vooral zijn laatste boek Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen (Querido 1997, Gouden Griffel en Woutertje Pieterse Prijs) kreeg die kritiek.

Zijn versie van het overbekende sprookje is inderdaad een zwartgallig maar soms ook erg komisch verhaal, waar in dichtregels wordt gesproken over de moordaanslagen van een jaloerse moeder – geen stief bij Hofman – omdat haar dochter steeds mooier wordt en zij steeds lelijker.

‘Zwart als inkt is geen alledaags kinderboek. Dat zie ik ook wel. Geen flitsende zinnen, geen vrolijk verhaal. Daar moet je dus niet alle kinderen mee opzadelen. Ik hoop dan maar dat er nog een paar overblijven die kunnen lachen om een rare wending of een overdreven alliteratie.’

Op 2 februari wordt hij 65 en aan de vergetelheid ontrukt, als het aan zijn fans ligt. Het Letterkundig Museum in Den Haag organiseert een overzichtstentoonstelling en zijn uitgever heeft een paar prachtige herdrukken gemaakt met nieuwe omslagen.

Fans? Hij grijnst met samengeknepen ogen, voor het eerst een beetje verlegen, terwijl hij zoals hij het hele interview heeft gedaan verder gaat met tekenen. ‘Ik heb geen massa aanbidders, maar daar heb ik een oplossing voor: zo lang mogelijk blijven leven. Als je zo oud wordt als ik, dan krijg je toch nog een kleine schare vurige fans. Gratis en voor niets. En zo vind ik het wel mooi. Ik voel mij op mijn gemak in de marge.’

Verschenen in de Volkskrant op 27 januari 2006. De foto heb ik gepikt van www.vlissingen.nl.

vrijdag 20 januari 2006

**** (4) voor John Green Het Grote Misschien

Bijna-literatuur voor bijna-volwassenen

Zouden ze nog bestaan, van die intellectuelen-in-de-dop die om één slecht begrepen citaat alles opgeven om kennis te gaan maken met het Echte Leven? De zestienjarige Miles Halter is er zo eentje. Hij is gek op laatste woorden en op zoek naar het ‘grand peut-être’ waar de Franse dichter Rabelais op zijn sterfbed over sprak.

Daarom verlaat hij veilig en volledig airconditioned Florida om helemaal alleen in woestijnstaat Alabama op kostschool te gaan. Waar inderdaad het Grote Misschien in al haar verleidelijkheid op hem ligt te wachten.

Meteen op zijn eerste dag in Culver Creek raakt hij bevriend met de vrijgevochten Alaska, die toen ze klein was haar eigen naam mocht uitzoeken. Deze militante feministe woont al een jaar langer op het terrein van de kostschool en heeft maar een paar minuten nodig om hem volledig van zijn stuk te brengen.

Eén: ze is het eerste knappe meisje dat hem knap noemt. Twee: ze geeft hem filosofische opdracht: ‘hoe kom ik in godsnaam uit dit labyrinth van lijden?’, de vermeende laatste woorden van Simón Bolivar. Drie: ze belooft hem dat hij dit schooljaar ‘volledig aan zijn trekken zal komen’. En dan heeft ze het niet over het culinaire orgasme dat alle leerlingen beleven bij het eten van een bufrito, de gefrituurde burrito met bonen uit de ranzige en dus populaire keuken van de kostschoolkok.

Het Grote Misschien, de geslaagde eersteling van de jonge Amerikaanse auteur John Green, is grenzeloos zwelgen voor jongeren die op de drempel van de wereld staan. Want het loopt over van de mooi geformuleerde uitspraken van piekeraars die smachten om het grote geheim van het leven te begrijpen. En de nachtelijke gesprekken bij illegale sigarettenrook kunnen even goed gaan over een geslaagde pijpbeurt of studentenstreek, als om de essentiële overeenkomsten tussen de wereldgeloven.

Het is niet voor niets, dat de kostschoolroman zelfs in een land dat nauwelijks over internaten beschikt, al zo veel generaties lezers weet te boeien. Immers: het werkelijke probleem van pubers is niet het onderwijs; het zijn hun ouders. Daarvan verlost zijn – verantwoordelijk voor eigen eten, zo uit je nest in pyjama naar de les – is dat geen droom die voor veel Nederlandse kinderen te laat uitkomt?

Green is echter niet de uitvinder van dit genre en dat maakt zijn roman af en toe wel erg voorspelbaar, althans voor wie er al een paar gelezen heeft. De cynische humor, de kift tussen de rijke scholieren en degenen die het van hun hersens moeten hebben, de praktische grappen en de strenge decaan die de Adelaar wordt genoemd en heus wel van de kinderen houdt maar nóg meer van de regels: allemaal doen ze vanaf de eerste bladzijde vertrouwd aan.

Green bakt met deze veelgebruikte gegevens echter wel een bijzonder aardig boek. In tegenstelling tot zijn landgenoot Joyce Carol Oates, waarvan de afgelopen jaren twee jeugdromans zijn vertaald, Grote Bek & Lelijk Wijf (Prometheus, €15,50) en Freaky groene ogen (Prometheus, € 15,75) weet hij het gebruikelijke niveau van een moreel dilemma uitgewerkt in een onderhoudend verhaaltje, een behoorlijk eind te overstijgen. Al was het maar vanwege de spannende vondst om in de hoofdstuktitels af te tellen naar een grote, rampzalige gebeurtenis voor Miles en zijn vrienden.

En minstens even belangrijk: Green schrijft geestig. De portretjes van de leerlingen zijn soms hilarisch, zoals dat van de wel erg ontspannen aanvoerder van het basketbalteam die ‘een keer een marihuanapijp in elkaar heeft gezet met niet meer dan de loop van een luchtbuks, een rijpe peer en een glansfoto van twintig bij dertig van Anna Kournikova.’

Het onmiskenbare hoogtepunt is de beschrijving van een basketbalwedstrijd van het team Culver Creek, dat zo slecht is dat het niet eens een mascotte heeft. Terwijl hun school glorieus afgaat tegenover een team van behaarde mensapen van een christelijke kostschool uit de buurt, scanderen de supporters op de tribunes: “WIJ HALEN HOGERE CIJFERS!”

Dankzij deze heerlijk botte intellectuelenhumor leest deze jongerenroman als een trein. Totdat Green op een gegeven moment oeverloos aan het keuvelen slaat. Er wordt in het midden vooral een hoop gezopen en de ‘historische stunts’ die de leerlingen uithalen onder de strakke leiding van De Kolonel, zijn vooral historisch flauw. Daardoor deelt Green uiteindelijk niet die grote mokerslag uit waar Het grote misschien je tweehonderd bladzijden op voorbereidt.

Maar eigenlijk is het, welbeschouwd, helemaal goed zo. Want in hun oneindige meligheid zijn deze tieners wel uitermate geloofwaardig. Als dit boek briljant is, dan is het vooral om de in jeugdromans niet vaak getrokken, vederlichte maar o zo ware conclusie: tieners hebben het eeuwige leven, domweg omdat ze tieners zijn.

Nee. Wereldschokkende literatuur is dit niet. Daarvoor bevat Greens debuut te veel cliché’s. Maar dat maakt het niet minder een must voor de onbegrepen intellectueel, al was het maar vanwege het wondermooie omslag van Bas Sebus dat ieder goed voornemen in rook doet opgaan en smachten naar tabak en een deprimerende gedachte. Het Grote Misschien is bijna-literatuur voor bijna-volwassenen.

vrijdag 8 april 2005

**** (4) Agave Kruijssen Vrije val

Een middeleeuws verhaal gaat er bij kinderen altijd wel in. Ten minste, zo lang er ridders, tovenaars en prinsessen in voorkomen. Maar wat als de hoofdpersoon een opgewonden non is, die worstelt met haar geloof? Zoals in het beroemde heiligenleven Beatrijs?

De oplossing blijkt vrij eenvoudig: gewoon in fris Nederlands opschrijven. In Vrije val van Agave Kruijssen komen de twijfels en de verlangens van de verliefde veertienjarige Beatries volstrekt geloofwaardig over. En door de jonge non in een raamvertelling haar avonturen op te laten biechten bij een rondreizende abt, wordt het nog redelijk spannend ook. Want wat zou het enorm zondige geheim zijn, dat ze meteen aan het begin aankondigt?

Kruijssen is nu al een jaar of vijf bezig met het bewerken van de bekendste Middelnederlandse verhalen tot hedendaags proza. De beste tot nu toe is Walewein, naar de overbekende kraker van Penninc en Vostaert. Daarvan is het origineel echter al zo meeslepend, dat het zich vrij gemakkelijk laat navertellen. Knapper is het tot nieuw leven brengen van iets typisch Middeleeuws als een religieus exempel, waarin vrouwen zichzelf om moeilijk te begrijpen redenen met de knoet bewerken.

Kruijssen heeft echt iets met dit verhaal. Haar stem is vele malen overtuigender dan in haar andere boeken. In een emotionele en vurige monoloog die nergens verveelt, trakteert ze haar lezers op authentieke zinnen die er geen doekjes om winden en een paar in al hun eenvoud prachtige metaforen.

Aardig is dat ze nu eindelijk eens een vrouwelijk personage kan uitdiepen. In haar andere ridderboeken, noodzakelijkerwijs echte stoerejongensverhalen, zoals haar andere nieuwe titel Merlijn, probeert ze steevast om vrouwen en meisjes een wat grotere rol te geven. Haar moeders en geliefden komen flets en geforceerd over. Ze had ze er maar beter niet bij kunnen verzinnen.

Dit verhaal weet ze echter stérker te maken dan het Middelnederlandse origineel. Daarin wordt de periode dat Beatries leeft als ongehuwde moeder en als hoer, summier beschreven. Kruijssen geeft haar ondergang in detail weer en maakt zo haar wonderlijke terugkeer in het klooster ook zevenhonderd jaar na dato bijzonder ontroerend..

Na zo’n prestatie neem je een paar minder geslaagde elementen op de koop toe. Zoals haar mislukte poging om haar lezers te laten griezelen met nachtmerries over de hel en haar keuze voor die eeuwige ongeloofwaardige ridderboekennamen als Berend, Bernt en Koen.

Nee, in esthetisch opzicht is de berijmde vertaling van Willem Wilmink uit 1995 nog altijd wat knapper. Maar die is voor breed publiek een stuk minder aantrekkelijk. Met haar bevlogen hervertelling in gewoon mooi Nederlands heeft Kruijssen een bijna perfecte middenweg gevonden. Vrije val is een van de meest geslaagde delen van de serie geworden.

vrijdag 18 maart 2005

***** (5) voor Floortje Zwigtman Schijnbewegingen

Zelden is zo uitgekeken naar een nieuwe jeugdroman als naar Schijnbewegingen van Floortje Zwigtman (1974). Deze jonge Zeeuwse schrijfster won twee jaar geleden met Wolfsroedel maar liefst twee jeugdliteraire bekroningen, waarvan de prestigieuze Vlaamse Gouden Uil voor Jeugdliteratuur de belangrijkste was. Wat zou de volgende stap zijn van deze spraakmakende schrijfster?

Wolfsroedel gaat over een groep jongens die zich laten meesleuren in een maalstroom van martelingen en moordpartijen. Zwigtman neemt geen ethisch standpunt in en bovendien geen blad voor de mond. Ze laat met beklemmende overtuigingskracht zien hoe heerlijk het is om een mes te pakken en het te gebruiken. Reden genoeg voor een debat in deze krant over hoe expliciet jeugdboeken mogen zijn over geweld.

In Schijnbewegingen gaat de onverstoorbare Zwigtman ijskoud verder met het haar grensverkenningen. Dit keer schrijft ze over een zestienjarige jongenshoer in Victoriaans Londen. En weer laat ze zien dat het haar niet om simpel choqueren gaat, maar om veel belangwekkender zaken.

Adrian Mayfield wordt geboren als zoon van een kroegbaas en naaister in Oost-Londen. Maar hij wil meer dan een armoedig leventje in een volksbuurt. Hij werkt als jongste bediende in Victor Procopius’ Herenmodepaleis en weet zeker dat hij deze doodsaaie baan niet lang gaat volhouden.

Inderdaad ligt er een andere carrière voor hem in het verschiet. Alleen niet een die hij zelf bedacht zou hebben. In de paskamer van de kleermaker ontdekt hij een lucratieve bron van inkomsten: de herenliefde. Een klant vindt hem leuk en neemt hem mee naar huis. Het is Augustus Trops, een tweederangs schilder die iedereen kent uit het grootstedelijke kunstenaarsmilieu.

Trops introduceert Adrian in de zogenaamde Paarse Hofhouding, het gezelschap van cartoonisten, schilders, schrijvers, dichters en journalisten rond Oscar Wilde. Dankzij zijn nieuwe kennissen krijgt hij min of meer keurig werk als schildermodel van een schatrijke jonge kunstenaar en heeft hij de gulle minnaar Trops niet meer nodig. Gelukkig maar, want het einde van de negentiende eeuw was geen tijd om met homoseksualiteit te koop te lopen.

Alles gaat goed, tot in de zomer van de beau monde van Londen naar Europa vertrekt voor de zomervakantie en Adrian zonder inkomsten komt te zitten. Hij doet zijn lichaam in de aanbieding in een herenbordeel en ontdekt zo de harde kant van zijn nieuwe leven: die van roddel, afpersing, politie-invallen, potenrammers en de eeuwige dreiging van een dodelijke geslachtziekte. Al snel beseft hij dat dit niet is wat hij wil. Maar wat dan?

Zijn nieuwe vrienden maken hem duidelijk dat in een wereld vol kleinburgerlijke homohaat, hooggeplaatste minnaars heel wat over hebben voor hun privacy. Kan Adrian uit de klauwen blijven van valse nichten, door Oscar Wilde ‘poema’s’ genoemd, die bereid zijn om tot het uiterste te gaan?

Schijnbewegingen is minstens zo dwingend, intens en zuigend als Wolfsroedel. Dat heeft alles te maken met de bijzondere gave van Zwigtman om afstand te houden en tegelijkertijd schaamteloos intiem te zijn. Haar bijzondere personages bekruipen de lezer als een goede vriend en laten hem niet meer los.

Zwigtman oordeelt niet maar maakt minutieus duidelijk waarom haar hoofdpersonen handelen zoals zij handelen. Geen moralisme bij haar, maar diepgravend onderzoek naar de menselijke ziel. Zonder de duistere kanten over te slaan. Actuelere jeugdliteratuur dan haar historische romans bestaat bijna niet.

Minpunt is de bloemrijkheid van Zwigtmans boeken. Ze heeft veel tijd nodig om het schaakspel van haar fantasie onderdeel voor onderdeel in elkaar te zetten en bezuinigt niet op details. Het duurt dus wel even voor ze op gang komt. Verder is haar taal wat gewoontjes.

Maar wat zeuren we nog over iets oppervlakkigs als stijl bij het zien van zo’n groot dramatisch talent als het hare? Als Zwigtman eenmaal beide handen vrij heeft om te spelen, dan speelt ze ook fenomenaal. En dan is dit nog maar het eerste deel van een tweeluik. Na het zinderende slot voelt het alsof het nog steeds allemaal moet beginnen en het alleen nog maar veel erger mis kan gaan. Wat wil een lezer nog meer?

Schijnbewegingen maakt de grote belofte van Zwigtmans vorige boek meer dan waar. Het is niet alleen de meest indrukwekkende homoroman sinds het briljante Je moet dansen op mijn graf van de Brit Aidan Chambers (Querido, 1985). Maar ook een bijzonder knap historisch portret én een boek dat genadeloos aan het denken zet. Dit kaliber vinden we alleen bij spraakmakende Britse jeugdauteurs als Melvin Burgess en Kevin Brooks.

Schijnbewegingen is een meesterwerk van internationale allure. Zwigtman mag nu gerust een van de grote jeugdboekenschrijvers van dit moment worden genoemd.


zaterdag 5 februari 2005

**** (4) voor Robert Wolfe: Joshua Joshua Tango

Joshua kan praten, vliegen en is telepatisch begaafd. Hij zingt niet onverdienstelijk en ondanks zijn leeftijd danst hij ook nog aardig de tango. Maar wat dit alles pas echt uitzonderlijk maakt, is dat Joshua een Braziliaanse schildpad is.

Wetenschappers proberen al jaren te bewijzen dat zijn soort, de Geochelone elephantopus, minstens even slim is als mensen. Tot nu toe zonder succes. Om zijn onderzoekingen dag en nacht voort te kunnen zetten, brengt professor Groen één schildpad mee naar huis.

Helaas voor hem laat die zijn talenten echter alleen maar zien aan Marcel, het eenzame zoontje van de wetenschapper. Marcel beleeft dankzij de magische schildpad het avontuur van zijn leven. En dat mocht ook wel, want zijn moeder is in India om zichzelf te herontdekken en op school wordt hij geplaagd omdat hij, net als zijn vader, een slome dromer is.

De flaptekst maakt meteen duidelijk: Joshua Joshua Tango van de Nederlander Robert Wolfe wil alle kinderboeken tegelijk zijn. Het verhaal over Marcels Harry Potter-achtige bezemsteelbelevenissen op de vliegende schildpad is namelijk nog lang niet alles. Joshua Joshua Tango is ook een moderne realistische probleemroman over een kwakkelend eenoudergezin.

En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, weeft Wolfe er een oerhollandse voetbalavontuur doorheen, waarin de plaatselijke cup veroverd moet worden, een nobele asielzoeker die niet terugwil naar zijn land, een gekke buurman die niet zo eng is als hij lijkt en natuurlijk ook een ontvoering. Verbazingwekkend genoeg werkt het nog ook. Sterker zelfs: Wolfe heeft met zijn aanstekelijke debuut een prestatie van formaat geleverd.

Misschien komt dat wel juist doordát hij zich door al die genres tegelijk liet inspireren. Er staat zo veel heerlijke onzin en herkenbaar kinderleed in, dat het vanaf de eerste bladzijde voelt als een oerkinderboek. Zoiets als Michael Ende’s Het oneindige verhaal: de ene kwestie is nog niet afgewikkeld of de volgende dient zich al weer aan, alsof het nooit meer afgelopen zal zijn.

Goddank heeft Wolfe net als Ende het zeldzame talent om alles op zo’n manier aan elkaar te fantaseren dat het nog geloofwaardig blijft. Joshua Joshua Tango is één grote wensvervulling. Wie dit leest gaat er van dromen om net als Marcel verzeild te mogen raken in de magische wereld van Joshua, waar kinderen alles kunnen. Het is een feel-goodboek in de meest positieve zin van het woord.

Dat het allemaal niet klef en goedkoop wordt, komt door de aangenaam intelligente schrijfstijl van Wolfe. Hij neemt zijn eigen fantasie serieus, maar ook weer niet té. Bij vlagen is hij uitzonderlijk grappig en hij denkt alle onmogelijkheden die hij verzint tot in de consequenties door. De titel van het boek is bijvoorbeeld de radioroepnaam van Joshua, voor gebruik tijdens telepathische gesprekken. Die zijn opgebouwd uit de naam van de persoon (Joshua), diens favoriete zanger (ook Joshua) en diens hobby (Tango). Marcel wordt dan Marcel Elvis Voetbal.

De hartelijke vriendschap tussen Marcel en Joshua en hun komische telepathische gesprekken zijn bovendien geloofwaardig en echt, iets wat in dit soort avonturenboeken meestal niet het geval is.

Het enige dat dit boek minder sterk maakt dan een klassieker als Het oneindige verhaal is dat literaire en emotionele diepgang ontbreekt. Marcel is een door en door welwillend mens, schiet niet door in zijn nieuw verworven talenten en is aan het eind dus uitgebalanceerd, gelukkig en af. Hij had wel íets menselijker mogen zijn.

Wolfe, geboren in Australië maar sinds zijn achtste Nederlander, verdient zijn brood met het geven van trainingen over het verkrijgen van ‘innerlijke rust’ op basis van een meditatiemethode uit de Verenigde Staten. Zijn jeugd en professionele achtergrond verklaren waarom Joshua Joshua Tango hier en daar wel erg op een Amerikaanse kinderkaskraker lijkt, volgens het credo: alles komt goed, als je je dromen maar waarmaakt. Als Wolfe niet zo’n goede schrijver was geweest, was dit boek uitgelopen op een handboek voor bij een meditatiecursus.

Dankzij zijn droge humor en zijn bewuste keuze om niet álles positief af te laten lopen komt het echter niet zo ver. Professor Groen heeft tot zijn teleurstelling geen énkel teken van intelligentie kunnen ontdekken. En dus moet Joshua terug naar Brazilië. Marcel leert dan wel zijn angsten onder ogen te zien en is aan het eind van het verhaal de held van de dag, maar de voetbalcup gaat naar een andere school, zijn moeder komt niet terug uit India en de asielzoeker is weer naar voormalig Joegoslavië. Zo vrolijk is het dus allemaal ook weer niet.

Joshua Joshua Tango is echt een boek dat het verdient het om een van de favorieten van dit jaar te worden. En er moet inderdaad maar gauw een filmversie van komen.

vrijdag 27 augustus 2004

Interview Max Velthuijs: ‘Mijn hand wil altijd een andere kant op’


Wie hem feliciteert, krijgt een linkerhand, want de schrijvenaar heeft zijn pink gebroken. Nota bene twee uur voor hij hoorde dat hij met zijn prentenboekenoeuvre de Hans Christian Andersenprijs gaat krijgen. Zeg maar: de Nobelprijs van de jeugdliteratuur.
Dat kan alleen Max Velthuijs zijn, de gelukkigste pechvogel van Nederland. Op zijn zestigste wordt hij na een productief leven als illustrator, grafisch ontwerper en reclametekenaar op de valreep wereldberoemd met Kikker. Op zijn eenentachtigste, twaalf bestsellers en een echtscheiding verder, krijgt hij de officiële internationale waardering, die alleen Annie M.G. Schmidt eerder heeft mogen ontvangen.
En dan over een koffer struikelen op Schiphol. Precies als een van zijn vertederend onhandige helden Klein-Mannetje dacht hij toen: ‘Bof ik even! Ik had ook plat op mijn gezicht kunnen vallen! Wat een geluk!’
En die prijs? ‘Ach, die prijs doet me eigenlijk niks.’
Hij meent het, zoals hij alles meent wat hij zegt. Hij heeft de afgelopen maanden niet goed kunnen werken door het ongeluk op het vliegveld en veel Olympische Spelen gekeken. ‘Het is natuurlijk een hele eer en ik moet niet ondankbaar zijn. Maar die totale gekte van blijdschap zoals bij die jongens en meisjes in het zwembad? Nee. Misschien komt het omdat ik zo oud ben. Ik heb mijn doel al lang bereikt. Iets anders dan dat bijzondere Kikkergevoel overbrengen op de lezers wil ik niet meer.’
Ook dat hij één van de twee Nederlanders is die met de Hans Christian Andersenprijs kan pronken, verandert daar weinig aan. ‘Ik mag het niet hardop zeggen, maar ik vond Annie nooit zo geweldig. Haar versjes wel, maar daarna al dat maatschappelijk relevante gedoe. Ze moest altijd zo vooruitstrevend en zo vernieuwend zijn. Daardoor is haar werk nu al achterhaald.’
Velthuijs heeft zich altijd door het tijdloze en grensoverschrijdende laten inspireren. De knap-naïeve dierverhalen van het Duits-Poolse dubbeltalent Janosch bijvoorbeeld, of de expressieve kleurenpracht van de Brit David McKee. ‘Ik heb eigenlijk geen Nederlandse voorbeelden’, zegt hij.
Ook zijn eigen prentenboekencarrière heeft een bij uitstek internationale trek. Een Engelse uitgever was de eerste die wat zag in Kikker. En liet zijn avonturen van meet af aan in een tiental landen tegelijk verschijnen, waaronder Japan. Een nijvere Zwitser verzorgt de lithografie. En een Italiaan doet, hoewel het vast in China goedkoper kan, al jaren het drukwerk. ‘Ja, ik mag dan wel een genadeloos critische graficus zijn, ik laat wel een spoor van interantionale vriendschappen achter me. Ik reis wat af.’
Maar van ophouden wil hij niet horen. ‘Voorlopig ben ik fit. Ik zou ook de hele dag bezig kunnen met mijn twee tuinen, maar verdorie, tekenen is mijn léven. Bovendien heb ik een gezin om voor te zorgen.’
Dat is waar. Hij heeft twee zoons uit twee huwelijken en voor hij kwiek de straat oversteekt naar zijn Haagse atelier, stelt hij in de keuken nog even snel zijn nieuwe vriendin voor. En dan hebben we het nog niet eens over de hele collectie dieren, Kikker, Varkentje, Eend, Haas en Rat, die op zijn oude dag misschien nog wel zijn belangrijkste familie zijn geworden.
‘Zeg maar gerust: na een leven vol wendingen’, stelt hij tevreden vast, terwijl hij zijn zoveelste sigaret opsteekt. ‘Ik alles gedaan op grafisch gebied. Boeken vormgeven, reclame, postzegels, sterspotjes, cartoons. Allemaal in opdracht. En het verdiende prima, maar het was niet bevredigend. Mijn hand wilde altijd een andere kant op. Er kwam een dag, zo rond mijn zestigste, dat ik dacht: vanaf nu ga ik alleen nog maar doen wat ík wil. En dat was prentenboeken maken.’
Tot dan toe deed hij het erbij, met mondjesmaat. Pas in 1972 was hij de zoetsappige verhaaltjes beu en besloot hij om ze zelf te gaan schrijven. Hij werkte toen voor een Zwitserse uitgeverij. ‘Het grootste succes daar is Het mooiste visje van de zee. Met van die plakglittertjes erop. Dat is toch de meest absolute kitsch die er ooit is uitgegeven? Niet te geloven.’
Op een dag liet Velthuijs’ een daarom tekening van een eigen verhaal slingeren tussen de schetsen voor een opdracht en vertelde in zijn onbeholpen Duits zijn plan voor De jongen en de vis. De uitgever hapte meteen toe. Sindsdien heeft hij nooit meer voor een ander geïllustreerd.
Toch ging het daarna nog steeds langzaam. Erkenning was er zeker, maar het duurde tot 1989 tot het grote succes kwam: Kikker. ‘Daarvoor heb ik nooit van kunnen leven van mijn illustraties. Een oplage van 4000 prentenboeken is hier al heel erg veel. En dan heb je er de kosten nog niet eens uit. In Nederland hebben prentenboeken eigenlijk nauwelijks bestaansrecht. De meeste nieuwe prentenboeken vind je binnen de kortste keren bij de Sleghte.’
Kikker niet. En zo werd hij naast tekenaar ook schrijver, of schrijvenaar zoals hij het ook wel eens noemt. ‘Maar ik moet toegeven: het tekenen gaat vóór. Ik moet daarmee oppassen, want ik heb ook Griffels gehad voor mijn teksten. Schrijven is voor mij, hoe zal ik het zeggen... ánders. Als ik aan een prentenboek begin heb ik beeld en tekst al in mijn hoofd. Die tekst schrijf ik zo op. Ik ben er met wat geschaaf hoogstens een dag of twee mee bezig. Maar die prenten. Daar werk ik rustig een half jaar aan.’
Geconfronteerd met citaten uit eigen werk, begint hij te grinniken. Vooral bij die eerste zin uit Kikker en de vreemdeling: ‘Er was een vreemdeling komen wonen aan de rand van het bos. Varkentje had hem als eerste ontdekt.’
Dan buigt hij samenzweerderig voorover en zegt: ‘Ik ben niet zo onschuldig als ik me voordoe. Achteraf lees ik mijn boekjes wel eens terug en dan zie ik heus wel dat er een hoop verborgen betekenis achter zit. Maar ik denk er gewoon niet zo diep over na. Ik hou niet zo van boodschappen.’
Die zijn er natuurlijk wel. Velthuijs kan als nakomertje uit een onderwijzersgezin haast niet anders. ‘Maar er moet ruimte blijven voor twijfel. Als ik ergens de pest aan heb dan is het wel aan mensen die alles maar zeker weten.’
Hij gooit het daarom op veel naïeviteit en een klein beetje moraal. Zoals in Kikker en het vogeltje, waanzinnig populair bij begrafenissen. ‘Ik los dat op zoals kinderen het doen: heel praktisch. Er is een dood vogeltje. Wat doen we ermee? Hup begraven. Even een traan. En daarna tikkertje spelen en de slappe lach krijgen. Op het laatste plaatje fluit op de tak alweer een nieuw vogeltje. Want dat is het mooie van prentenboeken: er is altijd die vrolijke laatste bladzijde.’
Naast Kikker houdt hij het meest van Rat, de enige avontuurlijke van het stel. In Kikker en de horizon verleidt Rat Kikker zelfs om zomaar weg te wandelen uit zijn veilige wereldje. ‘Ja. Dat was spannend. Het was bijna afgelopen met Kikker! Maar natuurlijk gingen ze gewoon weer terug. Zoals dat hoort in prentenboeken. Ik laat de kindertjes niet met de ellende achter.’
Toch verraadt het gezicht dat Velthuijs trekt als hij dit vertelt, dat hij misschien wel had gewild dat Kikker wél over de horizon was gegaan.
Voelt de kunstenaar en de flierefluiter zich dan toch weer begrensd?
Daar denkt hij even over na. ‘Nee’, zegt hij dan. ‘Dat is het niet. Maar als je echt goede prentenboeken wilt maken moet je wel een eeuwige twijfel voelen tussen het veilige en het avontuur. Want dat is waar prentenboeken over gaan. Altijd net een stapje verder en dan snel weer terug naar huis.’
Een van de weinige dingen die Velthuijs niet kwijt kan in zijn verhalen, is het onderwerp oorlog. ‘Daar kan ik niks mee. En ik kan niet rivier waar Kikker in zwemt niet laten vervuilen of bulldozers zijn huisje plat laten walsen.’
Velthuijs heeft nog een Blauwe Maandag in het verzet gezeten. Valse stempels gemaakt voor de identiteitspapieren onderduikers. Na de oorlog flirtte hij met het communisme en maakte hij cartoons voor het blad Voorwaarts. Toen Stalin openlijk antisemitische uitspraken begon te doen, haakte hij af.
Zijn linkse broeders uit die dagen ontmoet hij nog wel eens. ‘We zijn allemaal gedesillusioneerd. Vlak na de oorlog wilden we alles anders doen. We waren idealisten. Maar er kwam niets van terecht. Kennelijk kan die wereld niet, waar wij van droomden. De veilige omgeving van het prentenboek is míjn oplossing voor dat probleem. Daar kan ik mezelf kwijt zoals ik ben.’
Hij droomt nog steeds van het definitieve prentenboek over de oorlog. ‘Het verbaast me zo dat we na iedere oorlog alles beter willen doen en toch de volgende generatie weer zingend in vrachtauto’s naar het front trekt. Ik heb er alleen nog nooit een vorm voor kunnen vinden om dit te vertellen. Misschien kan dat pas als ik het begrijp.’

Dat de gebeurtenissen in de Kikkerserie álles te maken hebben met de gebeurtenissen in het leven van Velthuijs, daar heeft hij nooit een geheim van gemaakt. Joke Linders, zijn biograaf, heeft dat in het vorig jaar verschenen Ik bof dat ik een kikker ben breed uitgemeten. Tot aan de meest pikante liefdesperikelen en zijn hardnekkige rugklachten aan toe.
‘Dat hoort erbij’, berust Velthuijs achteraf. ‘Een biograaf wil alles weten en stuit dus wel eens ergens op. Toen ze begon aan het boek, vier jaar geleden, lag ik net midden in de scheiding met mijn tweede vrouw. Met haar heb ik zevenentwintig jaar samengeleefd. Ik was dus niet bepaald in de stemming voor een biografie. Maar Joke Linders zei: het is je leven. Daar schrijf ik over. Dat kan ik er dus niet uitlaten. En ze heeft natuurlijk gelijk. Ik ben er ook niet door beschadigd. Integendeel, sinds de mensen weten dat Kikker is bedroefd over mij gaat, doen ze nóg aardiger tegen me.’
De biografie ervaart hij achteraf als een therapie. ‘Ik ben mijn leven beter gaan begrijpen door dat boek. Ik heb altijd zorgeloos geleefd. Wat ben ik toch een gelukskind, denk ik altijd. Zelfs op mijn oude dag! Ik noemde mezelf lui. Toen ik alles op een rijtje zag, dach ik: jeetje, ik heb me rotgewerkt al die tijd.’
Maar, merkt Max Velthuijs, je bent nooit te oud voor nieuwe teleurstellingen. ‘Ik heb handtekeningen gezet onder contracten die ik niet gelezen heb. Iedereen probeert te verdienen met mijn succes, mijn Kikker. Kikker is geld geworden, en dat doet pijn. Want dat was de opzet niet. Ik weet nu één ding: het draait niet om succes. Succes zorgt dat je kan leven van wat je het liefst doet. Wat ik het liefst doe is tekenen wat mijn hand wil.’

Hij begint te lachen. ‘En ik hoef niet van een AOW te leven. Dat is ook een groot geluk.’

Max Velthuijs krijgt zijn Hans Christian Andersenprijs voor Illustratie op 5 september in Kaapstad tijdens het jaarlijkse congres van the International Board on Books for Young People, IBBY.