Aanhoudende vaagte in de wereld van het Vlaamse prentenboek. Mooi zijn ze zeker, die eigenzinnige gekafte kunstwerkjes van de productieve uitgeverij De Eenhoorn, maar waarom moet het toch allemaal zo zweverig? Volwassenen dwepen ermee, kinderen kunnen er nogal eens geen kant mee op. Toch kan zo’n licht ontregelende ervaring best eens interessant zijn.
Een sprekend voorbeeld van deze experimentele school is auteur Edward van de Vendel. Het hondje dat Nino niet had (****, De Eenhoorn, € 16,50) is typerend voor zijn oeuvre: Van de Vendel heeft het graag over dingen die er niet zijn. Het ‘hondje dat Nino niet heeft’ is in de illustraties overigens wel te zien, als een wit, doorschijnend draadhondje.
Dat maakt dit prentenboek meteen ingewikkeld. Ervaren kijkers hebben geleerd dat in tekeningen gedachten, dromen en andere niet-bestaande dingen kunnen voorkomen; een kleuter gelooft dat wat hij ziet er ook echt is. En dat maakt een spel met bestaan en niet bestaan voor kleuters te hoog gegrepen. De meesten zullen bij zoiets al snel ongeïnteresseerd om zich heen kijken.
En dus is Het hondje dat Nino niet heeft onmiskenbaar geestig voor volwassenen, maar verwarrend voor 5-jarigen: Nino beleeft van alles met zijn droomdier en krijgt dan ineens een echte hond. Om de gezellige bende die dan ontstaat compleet te maken, verzint Nino er een niet-bestaande dierentuin bij.
De verrassende tekeningen van de jonge debuterende Antwerpenaar Anton Van Hertbruggen (1990) zijn een ontdekking. Hij woont nog bij zijn ouders en maakt al scannend en bewerkend met de computer opvallend ruimtelijk werk vol woeste, on-Europese natuur en enorme avondluchten. Of hij met deze wat sombere maar vernieuwende illustraties nu kleuters behaagt of niet, dit is er zeker een van wie we meer gaan zien.
Veel vrolijker, maar ook een beetje vreemd is Leeuw (***, De Eenhoorn, € 14,95) van Brigitte Minne en Nils Pieters. Leeuw is een grote hond – daar begint de verwarring al – die concurrentie krijgt van een pup die Prins wordt genoemd. Opvallend fris en robuust zijn de levendige illustraties van Gentenaar Nils Pieters (1986). Een nieuwkomer die ambachtelijk tekent met dik kleurpotlood en kleurt met ecoline.
Maar waarom heet de hond Leeuw? Waarom heet het kleintje Prins? Waarom doet Leeuw zo gemeen tegen Prins? Wat doet die olifant toch steeds in beeld? Al die losse eindjes zouden met een beetje uitleg wel overkomelijk zijn, als het verhaal niet zo moralistisch was. Grote broer, leg je erbij neer: die nieuwe baby went wel.
Dan liever de lichtvoetige vaagheid van illustrator Arnoud Wierstra (1968). Die debuteerde drie jaar geleden – al enigszins op leeftijd – met het geestig-ontsporende Feest! (Lemniscaat, 2010) en pakt nu de draad weer op met De grote dag.
Wierstra houdt net als Van Hertbruggen van ruimtelijkheid: hij plaatst alledaagse avonturen in hallucinerende vergezichten en gaat daar dan mee spelen. Het verhaal lijkt eenvoudig genoeg: een jonge gitarist – die we al kennen uit Feest! – bereidt zich voor op zijn grote dag. Hij bakt taartjes, oefent een lied en knuffelt een ansichtkaart met een groot hart. Die nacht heeft hij een rare droom, waarin alle muren van de huizen doorzichtig zijn. De volgende dag komt alles gelukkig goed.
Is dit wel echt voor kleine kinderen? De wilde achtervolging is een groot succes, maar ook voor deze droom moet je de conventies van het beeldverhaal hebben geleerd. Gaat hij nu wéér naar het station? Ach, het hoeft de pret niet te drukken.
maandag 17 juni 2013
donderdag 13 juni 2013
We prijzen ons vak de marge in
Wie zich vandaag buigt over de nominaties voor de Gouden Lijst, de nu bijna drie jaar oude boekenprijs voor grofweg de onderbouw van de middelbare school, zou door een lichte teleurstelling kunnen worden bevangen. Raamvertelling + mythologische figuur + ronkende zinnen = 'zal wel literatuur zijn' van Marcel Roijaards' Rebel met vleugels? Gideon Samsons gelikte gebabbel en ingenieuze verhaallijntjes in Zwarte Zwaan? Het niet onaardige maar weinig originele Rotmovie van Marianne de Smet? Inderdaad boeken die het afgelopen jaar opvielen. Maar kandidaten voor goud? En is dit echt alles wat we ze te bieden hebben?
Die teleurstelling is terecht. Ja, dat is alles. Op deze plek daarom eens niet een betoog over boeken die de jury over het hoofd heeft gezien, maar een pleidooi om op het houden met het uitdelen van goud aan boeken die niet meer dan brons verdienen. Want na alles wat er te doen is geweest om een volgens schrijvers gemarginaliseerde groep schrijvers, versterken we juist het beeld dat er in die groep onvoldoende interessants gebeurt voor een aparte prijs. Dat is namelijk het geval. Al jaren.
Dertienjarigen stoppen massaal met lezen
Dat zeg ik niet omdat ik dertienjarige lezers geen warm hart toedraag. Integendeel. Dertienjarigen zijn juist mijn favoriete lezersgroep. Alle naoorlogse lezersonderzoeken geven aan dat we erg veel lezers kwijtraken als ze naar de middelbare school gaan. Niet gek ook, op die leeftijd hebben ze wat anders aan hun hoofd en aan hun lijf. Voor lezen van boeken is er met ineens veel huiswerk, nieuwe vrienden, een wereld om schoorvoetend te veroveren en al die veel beter in je broekzak passende concurrerende media nog maar weinig tijd. En kon de bibliotheek op de basisschool nog velen bekoren, het eerste wat een brugklasser leert is dat je daar alleen komt om werkstukken te knippen en te plakken op de openbare computers. Helemaal niet erg: velen die begonnen als boekenwurm, komen na tijden van hormonale kaalslag vanzelf weer terug.
Dat kan liggen aan de hormonen, ook aan het aanbod
Of ligt die puberale leesdip aan het aanbod? Dat kan ook. Die kinderen willen best, maar zijn ineens te groot voor Francine Oomen en al bijna voor Carry Slee. Ze willen lezen over zelfstandig worden, de wereld in, hun eigen shit oplossen zonder ouders én zonder tips van opvoederige schrijfsters. Ik las Thea Beckman en Jan Terlouw toen ik zo oud was. Geef me de ruimte, over een meisje dat helemaal alleen middeleeuws Europa in trekt, was voor mij een programmatische titel. De kloof maakte mij (los van dat dit boek retespannend was) politiek bewust en idealistisch. Nu lezen ze Morgen toen de oorlog begon. En andere dikke series vol avontuur, waarin een morele keuze niet wordt geschuwd, waarin je wat van de wereld leert en misschien zelfs over jezelf. Maar vooral waar ouders en leraren dood of in elk geval ver weg zijn en niet zweverig of zwaarwichtig wordt gedaan. In de jaren tachtig kregen zulke schrijvers nog wel eens een Gouden Griffel, tegenwoordig worden ze om leesbevorderingsredenen getolereerd. Als het puur om kwaliteit gaat niet helemaal onterecht, maar er is te weinig tegenover komen staan. In het eerste decennium van deze eeuw verschenen er welgeteld veertien boeken in deze leeftijdscategorie die niet per se goud, maar zeker wel aandacht van een jury verdienden. Dat is 1,4 boek per jaar.
Er zijn te veel prijzen voor te weinig goede boeken
Het werkelijke probleem is niet een gebrek aan aandacht. Integendeel. We hebben juist te veel prijzen voor te weinig goede boeken. Gouden Griffels, Zilveren Griffels, Vlag en Wimpels, Gouden Penselen, Zilveren Penselen, Gouden Paletten, Gouden Lijsten, Woutertje Pieterse, Nienke van Hichtum, Hotze de Roos, Dioraphte, Inktaap, prijzen van de Kinderboekhandel en van Selexyz, Boekstart Babyboek van het jaar, Kinderjury, Jonge Jury en een hele rits regionale bokalen. Om toch vooral geen leeftijdscategorie, dorpsschrijver of doelgroep over het hoofd te zien.
Dat gedoe met die leeftijdsgroepen werkt niet
Dat leidt - nog los van de discussie over de kwaliteit - tot hilarisch gedoe rond de afbakening. Hoe doen ze dat eigenlijk bij die jury's? Betekent deze bekendmaking dat Zwarte zwaan (eigenlijk een basisschoolboek) geen Gouden Griffel kan krijgen omdat het mogelijk een Gouden Lijst wordt? Of krijgt hij, als dat zo uitkomt, ze allebei? Is Rotmoevie (eigenlijk young adult) nu uitgesloten bij de Dioraphte? En dan heb ik het hier alleen over door CPNB gesponsorde prijzen die naar ik aanneem met elkaar samenwerken. Wat vrijgevestigde jury's doen moeten ze natuurlijk zelf weten.
Doe ons ajb één jaarlijkse en één oeuvreprijs
Al die organisaties vragen zich ondertussen hardop af waarom er toch steeds minder aandacht is voor prijzen. Wel, hierom dus: het zijn er te veel en de winnaars zijn te zelden 24-karaats. Dit stukje gaat niet over de Gouden Lijst, een op zichzelf beschouwd sympathiek idee, maar om de prijzengekte die er de afgelopen tien jaar is ontstaan. Waar we behoefte aan hebben is één prijs voor het beste boek voor kinderen onder de vijftien en één oeuvreprijs voor iemand die systematisch zulke boeken maakt. En jury's die durven om af en toe eens een jaar over te slaan, zodat het uitgereikte goud ook bij de volgende generatie nog wat waard is en we bij de Griffel der Griffels van 2054 geen modderfiguur slaan. En dan stel ik ook voor om daar dit jaar meteen mee te beginnen. Het probleem van het kinderboeken is niet een gebrek aan prijzen maar een overschot er aan. We prijzen onszelf de marge in. Daar wordt uiteindelijk niemand beter van.
Die teleurstelling is terecht. Ja, dat is alles. Op deze plek daarom eens niet een betoog over boeken die de jury over het hoofd heeft gezien, maar een pleidooi om op het houden met het uitdelen van goud aan boeken die niet meer dan brons verdienen. Want na alles wat er te doen is geweest om een volgens schrijvers gemarginaliseerde groep schrijvers, versterken we juist het beeld dat er in die groep onvoldoende interessants gebeurt voor een aparte prijs. Dat is namelijk het geval. Al jaren.
Dertienjarigen stoppen massaal met lezen
Dat zeg ik niet omdat ik dertienjarige lezers geen warm hart toedraag. Integendeel. Dertienjarigen zijn juist mijn favoriete lezersgroep. Alle naoorlogse lezersonderzoeken geven aan dat we erg veel lezers kwijtraken als ze naar de middelbare school gaan. Niet gek ook, op die leeftijd hebben ze wat anders aan hun hoofd en aan hun lijf. Voor lezen van boeken is er met ineens veel huiswerk, nieuwe vrienden, een wereld om schoorvoetend te veroveren en al die veel beter in je broekzak passende concurrerende media nog maar weinig tijd. En kon de bibliotheek op de basisschool nog velen bekoren, het eerste wat een brugklasser leert is dat je daar alleen komt om werkstukken te knippen en te plakken op de openbare computers. Helemaal niet erg: velen die begonnen als boekenwurm, komen na tijden van hormonale kaalslag vanzelf weer terug.
Dat kan liggen aan de hormonen, ook aan het aanbod
Of ligt die puberale leesdip aan het aanbod? Dat kan ook. Die kinderen willen best, maar zijn ineens te groot voor Francine Oomen en al bijna voor Carry Slee. Ze willen lezen over zelfstandig worden, de wereld in, hun eigen shit oplossen zonder ouders én zonder tips van opvoederige schrijfsters. Ik las Thea Beckman en Jan Terlouw toen ik zo oud was. Geef me de ruimte, over een meisje dat helemaal alleen middeleeuws Europa in trekt, was voor mij een programmatische titel. De kloof maakte mij (los van dat dit boek retespannend was) politiek bewust en idealistisch. Nu lezen ze Morgen toen de oorlog begon. En andere dikke series vol avontuur, waarin een morele keuze niet wordt geschuwd, waarin je wat van de wereld leert en misschien zelfs over jezelf. Maar vooral waar ouders en leraren dood of in elk geval ver weg zijn en niet zweverig of zwaarwichtig wordt gedaan. In de jaren tachtig kregen zulke schrijvers nog wel eens een Gouden Griffel, tegenwoordig worden ze om leesbevorderingsredenen getolereerd. Als het puur om kwaliteit gaat niet helemaal onterecht, maar er is te weinig tegenover komen staan. In het eerste decennium van deze eeuw verschenen er welgeteld veertien boeken in deze leeftijdscategorie die niet per se goud, maar zeker wel aandacht van een jury verdienden. Dat is 1,4 boek per jaar.
Er zijn te veel prijzen voor te weinig goede boeken
Het werkelijke probleem is niet een gebrek aan aandacht. Integendeel. We hebben juist te veel prijzen voor te weinig goede boeken. Gouden Griffels, Zilveren Griffels, Vlag en Wimpels, Gouden Penselen, Zilveren Penselen, Gouden Paletten, Gouden Lijsten, Woutertje Pieterse, Nienke van Hichtum, Hotze de Roos, Dioraphte, Inktaap, prijzen van de Kinderboekhandel en van Selexyz, Boekstart Babyboek van het jaar, Kinderjury, Jonge Jury en een hele rits regionale bokalen. Om toch vooral geen leeftijdscategorie, dorpsschrijver of doelgroep over het hoofd te zien.
Dat gedoe met die leeftijdsgroepen werkt niet
Dat leidt - nog los van de discussie over de kwaliteit - tot hilarisch gedoe rond de afbakening. Hoe doen ze dat eigenlijk bij die jury's? Betekent deze bekendmaking dat Zwarte zwaan (eigenlijk een basisschoolboek) geen Gouden Griffel kan krijgen omdat het mogelijk een Gouden Lijst wordt? Of krijgt hij, als dat zo uitkomt, ze allebei? Is Rotmoevie (eigenlijk young adult) nu uitgesloten bij de Dioraphte? En dan heb ik het hier alleen over door CPNB gesponsorde prijzen die naar ik aanneem met elkaar samenwerken. Wat vrijgevestigde jury's doen moeten ze natuurlijk zelf weten.
Doe ons ajb één jaarlijkse en één oeuvreprijs
Al die organisaties vragen zich ondertussen hardop af waarom er toch steeds minder aandacht is voor prijzen. Wel, hierom dus: het zijn er te veel en de winnaars zijn te zelden 24-karaats. Dit stukje gaat niet over de Gouden Lijst, een op zichzelf beschouwd sympathiek idee, maar om de prijzengekte die er de afgelopen tien jaar is ontstaan. Waar we behoefte aan hebben is één prijs voor het beste boek voor kinderen onder de vijftien en één oeuvreprijs voor iemand die systematisch zulke boeken maakt. En jury's die durven om af en toe eens een jaar over te slaan, zodat het uitgereikte goud ook bij de volgende generatie nog wat waard is en we bij de Griffel der Griffels van 2054 geen modderfiguur slaan. En dan stel ik ook voor om daar dit jaar meteen mee te beginnen. Het probleem van het kinderboeken is niet een gebrek aan prijzen maar een overschot er aan. We prijzen onszelf de marge in. Daar wordt uiteindelijk niemand beter van.
maandag 3 juni 2013
**** (4) Anke Kranendonk Lynn!

De bespreking van Lynn! was onderdeel van een grotere recensie. Hieronder (bijna) alleen Lynn:
"Meteen met zijn debuut komt hij al in de buurt bij Anke Kranendonk, bedreven in dit genre, die dit voorjaar haar twintigjarige schrijverschap viert met het indringende Lynn! (****, Lemniscaat, vanaf 11 jaar, € 14,95). Daarin gebeurt zoals in de meeste Nederlandse realistische puberboeken vrijwel niets en toch heel veel: bij de meisjes gaat het erom bij wie je hoort en of je al tieten hebt, bij de jongens of je ze al zag.
Allebei de auteurs weten met doordachte opbouw en lekkere zinnen dat populaire niveau tegelijkertijd vast te houden én op een ontroerende manier te overstijgen. Kranendonk doet dat wel iets subtieler dan De Wild. Ook al is het spannendste moment niet meer dan een bezoek aan de kermis: met Linda, die liever Lynn genoemd wordt, maakt Kranendonk een mooi hoogtepunt in haar oeuvre, dat nu eindelijk wel eens door een of andere kinderboekenjury verzilverd mag worden.
Joeri blijkt wijzer dan zijn vader én zijn moeder, Lynn slaagt erin om niet meer te willen zijn dan zichzelf. En dat is ook niet niets. De bibliotheek van de bovenbouw van de basisschool, de laatste jaren bepaald niet met kwaliteit verwend, heeft er twee prachtpersonages bij."
**** (4) Emiel de Wild Broergeheim

Als de elfjarige Joeri thuiskomt na een onverwachte logeerpartij van drie weken bij oma Bos is zijn grote broer er niet meer. Zijn thuis trouwens ook niet. Tijdens zijn afwezigheid hebben zijn ouders alles verplaatst naar een geheim adres in een andere stad. Alles, behalve de spullen van zijn broer. Joeri tast volledig in het duister en begint hem brieven te schrijven.
Dat betekent even doorbijten voor beroepsboekenbeoordelaars. Broergeheim, het kinderboekendebuut van toneelschrijver Emiel de Wild (1978), is de eerste hoofdstukken behoorlijk dertien in een dozijn. Een verontwaardigde ik-verteller, veel gedoe met doorhalingen in de ‘zelf geschreven’ tekst, matige vormgeving en natuurlijk dat eindeloze uitstellen van de ontknoping, waar het hele boek vanaf hangt. Zoiets valt bijna altijd tegen.
Maar deze keer niet. Want eigenlijk draait Broergeheim helemaal niet om dat geheim. De Wild heeft het over de veel grotere vraag: wat dóe je als er van de ene op de andere dag niet meer over een geliefde gepraat wordt? Hoe los je een probleem op dat zelfs te groot is voor je vader en moeder?
Joeri adoreert zijn broer maar voelt zich ook verantwoordelijk voor hem en maakt zich grote zorgen. Eerst probeert hij hem telefonisch te bereiken en als dat niet lukt reist hij naar het oude huis met alleen geld voor een enkeltje. Hij verliest daarbij een schoen als hij zich door de treindeuren wurmt. Ook na dat avontuur zwijgen zijn ouders. Wat bezielt die mensen? Wat heeft Stefan gedaan? Leeft hij nog?
Ondertussen moet hij ook nog zijn draai vinden in een nieuwe klas en met Lonneke, het wat eenzame meisje met de fonkelogen die ook een broertje kwijt is en daarom heel erg graag zijn vriendin wil zijn. De Wild roept een broeierige sfeer van aantrekken en afstoten op tussen de twee en bewijst daarmee nog wel het best dat hij wat in zijn mars heeft.
Meteen met zijn debuut komt hij al in de buurt bij Anke Kranendonk, bedreven in dit genre, die dit voorjaar haar twintigjarige schrijverschap viert met het indringende Lynn! (****, Lemniscaat, vanaf 11 jaar, € 14,95). Daarin gebeurt zoals in de meeste Nederlandse realistische puberboeken vrijwel niets en toch heel veel: bij de meisjes gaat het erom bij wie je hoort en of je al tieten hebt, bij de jongens of je ze al zag.
Allebei de auteurs weten met doordachte opbouw en lekkere zinnen dat populaire niveau tegelijkertijd vast te houden én op een ontroerende manier te overstijgen. Kranendonk doet dat wel iets subtieler dan De Wild. Ook al is het spannendste moment niet meer dan een bezoek aan de kermis: met Linda, die liever Lynn genoemd wordt, maakt Kranendonk een mooi hoogtepunt in haar oeuvre, dat nu eindelijk wel eens door een of andere kinderboekenjury verzilverd mag worden.
De Wild (1978) heeft minder humor dan Kranendonk, maar geeft wel meer het gevoel dat – hoe eenvoudig en vlot ook – geen woord er voor niets staat. De Wild daagt zijn lezers uit om na te denken over taboes. Kun je een familielid dat iets vreselijks doet in de steek laten? Kun je ophouden met van iemand te houden? En ben je niet per definitie medeverantwoordelijk? Een kinderboek kan nauwelijks actueler zijn.
Joeri blijkt wijzer dan zijn vader én zijn moeder, Lynn slaagt erin om niet meer te willen zijn dan zichzelf. En dat is ook niet niets. De bibliotheek van de bovenbouw van de basisschool, de laatste jaren bepaald niet met kwaliteit verwend, heeft er twee prachtpersonages bij.
**** (4)
Broergeheim
Emiel de Wild
Leopold, 168 pagina’s, € 14,95
ISBN 9789025862046
Vanaf 11 jaar
maandag 20 mei 2013
**** (4) voor Schutten / Rieder Het raadsel van alles wat leeft

Nog steeds zo’n een op de vijf van de Nederlanders gelooft in het scheppingsverhaal, zo blijkt uit opinieonderzoek van Synovate. En aangezien drie op de vijf vertrouwt op de evolutieleer, twijfelt dus nog altijd bijna de helft van ons land aan een van de meest succesvolle ontdekkingen van de moderne wetenschap.
Reden voor Jan Paul Schutten (Gouden Griffel 2008) de evolutietheorie vurig te verdedigen in Het raadsel van alles wat leeft. Hij gaat een stuk verder dan de principes uitleggen, want dat hebben al genoeg mensen gedaan. Voor vijanden en fans van de evolutie zijn er prangender vragen. Hoe wéten we dit allemaal eigenlijk? En hoeveel bewijs is er nodig om een theorie wáár te maken?
Het goede van Schutten is dat hij in zijn twee duimen dikke meesterproef als schrijver van informatieve boeken de overweldigend rijke werkelijkheid ook overweldigend rijk laat zijn. Je stap voor stap voorstellen hoe dode materie ‘zomaar’ tot leven kon komen en hoe er in honderden miljoenen jaren uit bacteriën uiteindelijk makrelen, merels en mensen zijn ontstaan is namelijk zo makkelijk niet.
In Het raadsel van alles wat leeft trekken duizelingwekkende eeuwigheden als een op strategische plekken vertraagde film aan de lezer voorbij. Zelfs dan blijft het tempo hoog: ook aankomende gymnasiasten zullen er even voor moeten gaan zitten als Schutten begint te jongleren met getallen en praktijkvoorbeelden en zich via eindeloos veel fossielen en onderzoeken een weg baant door de Darwinvinken, DNA en RNA, seksuele selectie en zelfzuchtige genen.
Maar dan bekijk je de wereld wel met andere ogen. Wij bestaan potdorie pás 200.000 jaar! We stammen helemaal niet af van de apen! En de werkelijke winnaars van de evolutie zijn bacteriën en andere eencelligen, die zich onvoorstelbaar veel generaties suf hebben moeten delen om zoiets even nietigs als briljants uit te vinden als de flagellum, het buitenboordaandrijfzweepje waarmee het wilde leven pas echt begon.
In al dat enthousiasme schuilt wel een kleine zwakte van de auteur. Om veel mensen te bereiken moet hij toeteren, grapjes verzinnen en objectieve dingen zo persoonlijk mogelijk vertellen. Vaak pakt dat goed uit, soms schiet hij er in door. Vaststellen dat het knap is dat bepaalde bacteriën kunnen overleven in giftige, dodelijk hete of juist ijskoude poelen is wel erg vanuit de mens gedacht: voor die bacteriën is die poel helemaal niet giftig, heet of koud en daar draait het in de evolutie nu net om.
Apert onjuist is zijn emotionele uitroep bij het afronden van zijn betoog dat ‘een theorie ook een vaststaand feit kan zijn’. Daar ziet hij toch even een eeuw wetenschapsfilosofie en in elk geval Karl Popper over het hoofd. Een tekening van een pijp is geen pijp en een theorie is nooit een feit. Dat debat over de evolutieleer is niet voor niets zo lastig.
Misschien moet Schutten maar gauw aan een wetenschapsfilosofisch vervolg beginnen. De tijd is er rijp voor: goed geschreven non-fictie is in de mode. Het genre krijgt steeds meer aandacht en prijzen, de roep om kinderen en jongeren op school gewoon weer kennis bij te gaan brengen klinkt al maar harder en in de media koketteren bekende Nederlanders met bekende wetenschappers.
Het raadsel van alles wat leeft bewijst dat succes alleen al in zijn prachtige vorm, gefinancierd door een bevlogen uitgever en indrukwekkend geïllustreerd door nieuwkomer Floor Rieder. Verscheen het debuut van Bas Haring, Kaas en de evolutietheorie (Houtekiet, 2001) nog in een goedkoop vormgegeven paperback, iets meer dan tien jaar later is een kloek informatief boek met linnen band en goud op snee de dag van verschijnen al op tv. Dat mag ook wel, want het is zonder twijfel een van de mooiste kinderboeken in jaren.
**** (4)
Het raadsel van alles dat leeft en de stinksokken van Jos Grootjes uit Driel
Jan Paul Schutten
Met illustraties van Floor Rieder
Gottmer, 160 pagina’s, € 19,95
ISBN 9789025753467
Vanaf 11 jaar
zaterdag 23 maart 2013
**** (4) Joyce Pool Castraat

Muziek is zijn eerste liefde, maar misschien ook meteen zijn laatste. Het populaire citaat van popcomponist John Miles krijgt een dubbelzinnige lading, wanneer het als motto wordt gebruikt op de eerste bladzijde van De castraat. In haar nieuwste historische jeugdroman verhaalt Joyce Pool over een leerlooierszoon die goed kan zingen, een Florentijns conservatorium met misschien iets té doortastende docenten en een wel erg opdringerige mecenas.
Interessant, want: liefde, hoe werkt dat als je vlak voor je puberteit onvrijwillig bent ontmand, op een slaapzaal tussen hitsige koorknapen slaapt en bent voorbestemd tot een leven in de kerk? De tot nu toe weinig opvallende schrijfster van ietwat brave historische jeugdboeken mikt met bronstige zinnetjes over bonkende jongens, rijpe bramen en ronde peren zonder omhaal op de onderbuik.
Ook de literaire lat lijkt Pool ineens een stuk hoger te leggen in een poging om een aantrekkelijk compromis te vinden tussen de degelijkheid van de school van Thea Beckman en meer moderne, confronterende en ontregelende historische jongerenromans als Wolfsroedel (2003) en Schijnbewegingen (2005) van Floortje Zwigtman. Dat belooft een kijkje in het verleden dat rode oortjes geeft, leerzaam is én aan het denken zet.
Haar onderwerp is daar boeiend en veelzijdig genoeg voor. Niemand kan zich het stemgeluid van een castraat nog voorstellen. Misschien wel de enige wiens zang ooit is opgenomen, Allesandro Moreschi (1858-1922) van de Sixtijnse Kapel, klinkt totaal anders dan de machinaal uit een countertenor en een mezzosopraan samengestelde, geplaybackte stem van de castratenfilm Farinelli (1994). Het geluid van een castraat is niet vergelijkbaar met man noch vrouw. Zelfs een kind klinkt werkelijk anders.
Wie dat hoort, kan zich iets voorstellen van de begerigheid van monniken en priesters uit eeuwen. Met praktische overwegingen – vrouwen mochten van de paus niet optreden – heeft hun passie niets van doen: mannen zonder mannelijkheid symboliseren de hemelse engelen, niets meer en niets minder.
Dat aspect van de roman heeft Pool goed aangepakt. De details boeien en overtuigen en de vanzelfsprekende en allesoverheersende aanwezigheid van God en het hiernamaals is geloofwaardig getekend en maakt van hoofdpersoon Angelo een veel geslaagder historisch personage dan de gebruikelijke, individualistisch denkende en dus niet geloofwaardige jongeren die de doorsnee geschiedenisroman bevolken.
Hier en daar komt is Pool voor haar doen humoristisch als ze vertelt over de strijd tussen verschillende conservatoria om castraten te verhuren aan huishoudens waar een dode te betreuren valt. En met het opvoeren van mecenas Ferdinando de’ Medici, die duidelijk niet alleen in de gezang van de castraten is geïnteresseerd, brengt ze zelfs een niet meteen te duiden element van onafwendbaar onheil in de roman.
Nee, klassieke muziek was geen stoffige bezigheid rond 1698; zo veel is duidelijk. Pools enige zonde is dan ook dat ze van Angelo Montegne na al zijn avonturen toch weer een zo gewoon mogelijke jongen probeert te maken. Ondanks zijn onwaarschijnlijke talent, de rijkdom en het lonkende succes, blijft hij terugverlangen naar een eigen leerlooierij, een vrouw en kinderen. Dat al dat andere hem zo goed als koud laat en hij er van het begin af aan met een irritant soort vanzelfsprekendheid voor wegloopt, wringt. Natuurlijk wil je geen seks met die machtige man die je gouden bergen belooft, je ligt veel liever te creperen in de modder!
Daar staat tegenover dat Pool, in het dagelijks leven leraar op een middelbare school, haar materie bijzonder toegankelijk heeft gemaakt. Dat al dat moois de kans loopt om daadwerkelijk door jongeren gelézen te worden, is ook wat waard. De castraat mag dan wat kleinburgerlijk blijven, desalniettemin is het een van de interessantere bijdragen aan de historische jeugdliteratuur van de laatste tijd.
**** (4)
De castraat
Joyce Pool
Lemniscaat, 285 pagina’s, € 17,95
9789047705345
Vanaf 13 jaar
zaterdag 29 december 2012
*** (3) voor Gideon Samson Zwarte zwaan
Rifka is de ‘king’ van groep acht. Ze is knap en populair en kan ontzettend goed pesterijen verzinnen. Dankzij haar lieve lachje komt ze daar altijd mee weg, maar dat gaat op een dag vervelen. Door de dood van een klasgenoot komt ze op een spectaculair plan: te gast zijn op haar eigen begrafenis. Lachen, toch?
Gideon Samson (1985) verkent in zijn zesde kinderboek Zwarte zwaan de grenzen van pesten en geweld op de basisschool. Twaalfjarigen zijn in staat tot het bedenken van zulke dingen, maar wat als ze het ook echt zouden doen? Als hij erin geslaagd was om deze intrigerende vraag geloofwaardig te beantwoorden, dan had hij niet alleen een onderhoudend, maar ook een schokkend of zelfs controversieel boek kunnen schrijven.
Duveke is de beste en enige vriendin van de bazige Rifka. In de ogen van Rifka is ze een dom slaafje: alles wat Rifka vertelt, slikt Duveke voor zoete koek. Wat Rifka doet – stelen, liegen, roken – doet Duveke ook. Maar dan minder goed. ‘Jij kan toch ook een keertje iets verzinnen’, klaagt ze al op de vijftiende bladzijde. Dan weet je wel hoe laat het is.
Maar ook Duveke kent een donkere kant. Ze heeft last van sombere buien en een enorme angst om haar ouders teleur te stellen. In een terugblik, die op dat moment nog onschuldig lijkt, breekt ze het zwarte zwaantje uit de verzameling van haar moeder. Haar broer Olivier neemt de schuld ruimhartig op zich. Eén van de scherven bevindt zich nog altijd in een doos met geheimen onder haar bed, waar ze ’s nachts over piekert.
Ook al wil ze het niet, ze blijft doen wat Rifka haar opdraagt: onopvallend een tent, proviand en mobiele telefoons regelen en dan die twee anonieme brieven sturen: de eerste om haar ‘ontvoering’ bekend te maken, de tweede met de boodschap dat Rifka vermoord is. Pas als Duveke voor de brievenbus staat krijgt ze eindelijk last van haar geweten, maar dan zijn de gevolgen al niet meer te overzien.
Samson maakt handig gebruik maakt van de drie verschillende personages, die elk hun eigen kijk op de gebeurtenissen hebben en een min of meer eigen manier van vertellen. Duveke worstelt met haar gevoelens, krijgt het steeds ‘warm’ en dan komt er ‘bam’ weer een depressie. Broer Olivier raakt in de war van mooie borsten en zegt graag ‘pure nep’. Rifka praat de hele tijd tegen Rifka in een tintelend soort zelfverheerlijking.
Toch blijft de jonge schrijver – al vroeg bekroond met een eerste Zilveren Griffel – er zo eentje die zijn eigen vlotheid maar niet weet te overstijgen. Oppervlakkig beschouwd ontbreekt er niets. Hij vertelt vaardig en hier en daar zelfs meer dan dat. De dialogen zijn prima. Er is een strakke compositie, met eenheid van plaats en tijd. Iets wat eerder een keer genoemd wordt, komt gegarandeerd later terug. Zo hóór je te schrijven.
Maar precies dát klopt niet aan Zwarte zwaan. Om te geloven dat deze kinderen ook werkelijk in staat zijn om te doen wat ze aan het einde van dit boek doen, is méér nodig dan vlot aan elkaar gebabbelde scènes. Geslaagde personages zijn geen marionetten van de auteur, maar gaan een eigen leven lijden, dingen doen die nu eenmaal niet anders kunnen. Zulke bezieling is in het werk van Samson tot nu toe niet te ontdekken.
Waar de ongeveer tegelijkertijd gedebuteerde generatiegenoot Simon van der Geest eerder dit jaar verraste met een ruig en onaangepast randje in Spinder, een hier en daar ook schokkend bedoeld boek over verwaarlozing en broedertwist, komt Gideon Samson na vijf titels met gelikt proza en ingenieuze verhaallijntjes, maar nog steeds niet met een eigen geluid.
*** (3)
Zwarte Zwaan
Gideon Samson
Leopold, 212 pagina’s, € 14,95
ISBN 9789025861308
Vanaf 12 jaar
Gideon Samson (1985) verkent in zijn zesde kinderboek Zwarte zwaan de grenzen van pesten en geweld op de basisschool. Twaalfjarigen zijn in staat tot het bedenken van zulke dingen, maar wat als ze het ook echt zouden doen? Als hij erin geslaagd was om deze intrigerende vraag geloofwaardig te beantwoorden, dan had hij niet alleen een onderhoudend, maar ook een schokkend of zelfs controversieel boek kunnen schrijven.
Duveke is de beste en enige vriendin van de bazige Rifka. In de ogen van Rifka is ze een dom slaafje: alles wat Rifka vertelt, slikt Duveke voor zoete koek. Wat Rifka doet – stelen, liegen, roken – doet Duveke ook. Maar dan minder goed. ‘Jij kan toch ook een keertje iets verzinnen’, klaagt ze al op de vijftiende bladzijde. Dan weet je wel hoe laat het is.
Maar ook Duveke kent een donkere kant. Ze heeft last van sombere buien en een enorme angst om haar ouders teleur te stellen. In een terugblik, die op dat moment nog onschuldig lijkt, breekt ze het zwarte zwaantje uit de verzameling van haar moeder. Haar broer Olivier neemt de schuld ruimhartig op zich. Eén van de scherven bevindt zich nog altijd in een doos met geheimen onder haar bed, waar ze ’s nachts over piekert.
Ook al wil ze het niet, ze blijft doen wat Rifka haar opdraagt: onopvallend een tent, proviand en mobiele telefoons regelen en dan die twee anonieme brieven sturen: de eerste om haar ‘ontvoering’ bekend te maken, de tweede met de boodschap dat Rifka vermoord is. Pas als Duveke voor de brievenbus staat krijgt ze eindelijk last van haar geweten, maar dan zijn de gevolgen al niet meer te overzien.
Samson maakt handig gebruik maakt van de drie verschillende personages, die elk hun eigen kijk op de gebeurtenissen hebben en een min of meer eigen manier van vertellen. Duveke worstelt met haar gevoelens, krijgt het steeds ‘warm’ en dan komt er ‘bam’ weer een depressie. Broer Olivier raakt in de war van mooie borsten en zegt graag ‘pure nep’. Rifka praat de hele tijd tegen Rifka in een tintelend soort zelfverheerlijking.
Toch blijft de jonge schrijver – al vroeg bekroond met een eerste Zilveren Griffel – er zo eentje die zijn eigen vlotheid maar niet weet te overstijgen. Oppervlakkig beschouwd ontbreekt er niets. Hij vertelt vaardig en hier en daar zelfs meer dan dat. De dialogen zijn prima. Er is een strakke compositie, met eenheid van plaats en tijd. Iets wat eerder een keer genoemd wordt, komt gegarandeerd later terug. Zo hóór je te schrijven.
Maar precies dát klopt niet aan Zwarte zwaan. Om te geloven dat deze kinderen ook werkelijk in staat zijn om te doen wat ze aan het einde van dit boek doen, is méér nodig dan vlot aan elkaar gebabbelde scènes. Geslaagde personages zijn geen marionetten van de auteur, maar gaan een eigen leven lijden, dingen doen die nu eenmaal niet anders kunnen. Zulke bezieling is in het werk van Samson tot nu toe niet te ontdekken.
Waar de ongeveer tegelijkertijd gedebuteerde generatiegenoot Simon van der Geest eerder dit jaar verraste met een ruig en onaangepast randje in Spinder, een hier en daar ook schokkend bedoeld boek over verwaarlozing en broedertwist, komt Gideon Samson na vijf titels met gelikt proza en ingenieuze verhaallijntjes, maar nog steeds niet met een eigen geluid.
*** (3)
Zwarte Zwaan
Gideon Samson
Leopold, 212 pagina’s, € 14,95
ISBN 9789025861308
Vanaf 12 jaar
Abonneren op:
Posts (Atom)

