Linus wordt wakker in een ondergrondse bunker met zes kamers, een keukentje, een lift en een klok. Naast elk bed staat een nachtkastje met een bijbel. Eerst is hij een paar dagen alleen, dan krijgt hij gezelschap van het basisschoolmeisje Jenny, de drugsverslaafde bouwvakker Fred, makelaar Anja, consultant Bird en ten slotte de homoseksuele natuurkundige Russell. In Bunkerdagboek van Kevin Brooks, uitstekend vertaald door Jenny de Jonge, vertelt Linus hun uitzichtloze verhaal.
De lift brengt elke dag een verrassing. Heroïne en een injectienaald voor de net afgekickte Fred, sigaretten voor Anja, vergiftigd eten, schoonmaakmiddelen, op een ochtend een dolle dobermann, die zijn tanden in de keel van Bird zet. En dan een hele tijd niets. Pogingen om te ontsnappen of de camera’s onklaar te maken zijn zinloos: ze worden afgestraft met een bijtend zuur uit het plafond. Fred komt zo ver dat hij een fles bleek opdrinkt, Linus zet zijn tanden in de bijbel.
Kan het nóg gemener? Dat is de vraag die elk nieuw buikpijnboek van Kevin Brooks oproept. De Britse schrijver heeft het niet zo op met de mensheid en weet in de kleur zwart meer schakeringen te ontdekken dan gewone mensen in de regenboog. Zijn negentiende boek in twaalf jaar is zo cynisch, dat sommige lezers het ook grappig zouden kunnen vinden.
Er is een tijd geweest, dat dit soort straffe, nihilistische kost alleen was voorbehouden aan volwassenen. Als Floortje Zwigtman met het geniale Wolfsroedel (Fontein, 2002) feitelijk en zonder een oordeel te geven laat zien hoe een groep jongens wordt meegesleurd in een maalstroom van geweld, krijgt ze tweeslachtige reacties. Het boek wordt met bezorgdheid besproken, maar wint ook een Gouden Uil en een Zilveren Zoen. De gemene novelle met de veelzeggende titel Niets (Clavis, 2010) van Janne Teller brengt acht jaar later de wenkbrauwen al nauwelijks meer in beweging.
Toch blijven sommige auteurs nog verdere grenzen opzoeken. Brooks is van die schrijvers ongetwijfeld de meest fanatieke. Dat leidt er, helaas, toe dat hij zichzelf een beetje dreigt te marginaliseren. Want zo veel boeken in zo weinig tijd maakt lezers murw en roept ook de vraag op of hij wel genoeg rust neemt om dat ene, allerbeste manuscript af te leveren.
Ook Bunkerdagboek heeft hier en daar last van haast en losse eindjes. De armoedige vormgeving van zijn in het Nederlands vertaalde boeken helpt daarbij niet. Eeuwig zonde, want Bunkerdagboek – afgelopen week in Engeland bekroond met een Carnegie Medal – is een van zijn meest intrigerende boeken tot nu toe.
Grenzen verleggen kan natuurlijk best zonder een nietsontziende uitzichtloosheid. Het scherpe Honderd uur nacht van jongerenauteur Anna Woltz is bij Brooks vergeleken zachtaardig. Maar ook Woltz is er zo eentje die met zichtbaar plezier het allervreselijkste verzint dat een tiener kan overkomen, en pas daarna bedenkt hoe haar personages zich al dan niet redden.
De veertienjarige Emilia ontdekt dat de rector, haar vader, is vreemdgegaan met een meisje van school. Ze slaat op de vlucht voor alle haat-mail en pesterijen, pikt zijn creditcard en boekt een reis naar New York. Als ze aankomt blijkt ze opgelicht. Het appartement dat ze vooruit heeft betaald, wordt bewoond door Seth en zijn lastige zusje Abby. Ineens is Emilia dakloos in New York, waar net orkaan Sandy losbarst.
De storm is, hoe kan het ook anders bij de artistiekste jeugduitgever Querido, een metafoor voor alles wat er in haar omgaat. De woede op haar vader, de desinteresse van haar moeder, haar smetvrees en de angst voor de twee jongens waar ze verliefd op wordt, ook al maakt het idee om ze aan te raken haar al bij voorbaat misselijk. Uiteindelijk blijkt al die ellende en dat schoppen tegen een oneerlijke wereld een heerlijke opmaat naar een zoen.
Wat het boek sterk maakt, is dat ze dit avontuur deels zelf heeft beleefd. Woltz woonde in het najaar van 2012 in New York en je kunt duidelijk merken waar ze haar grimmige dagboekaantekeningen overschrijft en zo haar verhaal een echtheid meegeeft, die jongeren in de meeste andere voor hen bedoelde lectuur wordt onthouden.
Woltz weet rechttoe-rechtaan meidenthematiek iets rauws, poëtisch én filosofisch mee te geven. Haar boeken worden stapje voor stapje beter en de transfer naar een van de strengste kinderboekenredacteuren van het land heeft Woltz zeker goed gedaan: haar zinnen zijn fris en origineel en hebben een prettig ritme.
Brooks schurkt aan tegen de thriller, Woltz tegen de chicklit. Toch geven ze allebei veel meer. Boeken die je niet weghalen bij de werkelijkheid, maar je er met de neus opdrukken en er een fascinerend perspectief aan toevoegen. Die vragen durven stellen, waarop de schrijvers het antwoord ook nog niet weten.
**** (4)
Bunkerdagboek
Kevin Brooks
Vertaald uit het Engels door Jenny de Jonge
De Harmonie, 248 pagina’s. € 17,50
Vanaf 14 jaar
ISBN 9789076168883
**** (4)
Honderd uur nacht
Anna Woltz
Querido, 214 pagina’s, € 13,99
Vanaf 14 jaar
ISBN 9789045116396
zaterdag 12 juli 2014
donderdag 26 juni 2014
Intrigerend voorwoord van de Griffeljury dit jaar
Ik waag me ook eens aan close reading. Als je de inleiding van het juryrapport van de Zilveren Griffels leest, vallen twee dingen op. Er wordt voor het eerst in tijden weer eens nadrukkelijk gezegd dat het de jury niets kan schelen of het boek 'door 100, 1.000, 10.000 of 100.000 kinderen met plezier is gelezen'. En de wat overbodige, maar daar door des te intrigerender opmerking aan het eind, dat de jury zich niet mengt in religieuze vraagstukken en stelt dat 'ketterij een zegen is in het belang van een levendige kinderboekencultuur'.
De eerste opmerking moet haast wel gaan over Jef Aerts, die met zijn tobberige proza vol verstikkend taalspel en gezochte metaforen vooral volwassen weet te bekoren op een manier die we sinds de jaren negentig van de vorige eeuw niet meer hebben gezien. Aerts is met twee boeken genomineerd en dat doe je natuurlijk niet zomaar. De tweede opmerking moet naar Jan Paul Schutten verwijzen, die veel lef heeft getoond door in een ambitieus informatief boek de strijd aan te gaan met bijna de helft van alle Nederlanders, die volgens onderzoek nog twijfelt aan de evolutieleer. Wie mijn voorkeur heeft, daar hebben we dan weer geen close reading voor nodig.
Het lijstje geeft verder een prima beeld van 2013, hoewel de jury met 9 Zilveren Griffels en 12 Vlag en Wimpels zich blijft gedragen alsof we met een bekroning minder iemand groot onrecht doen. Wel aardig dat de jury nog eens aandacht vestigt op de toegankelijke kinderbiografie ABC Dragt, die een Vlag en Wimpel krijgt, net als het zeer aardige Sammie en opa van Enne Koens. De regels van drie van Marjolijn Hoff, eerder dit jaar goed voor de Woutertje Pieterseprijs, heeft het terecht niet verder dan een eervolle vermelding geschopt. Verder een aantal interessante debutanten, waaronder Jonge Vlieger van Ellen van Velzen en het interessante Broergeheim van Emiel de Wild, die Zilver heeft gekregen. Bette Westera krijgt haar tweede Zilveren Griffel voor het geestige Held op sokken. En de mooi uitgegeven bloemlezing Ik zoek een woord van Hans en Monique Hagen ook. Kinderpoëzie doen we volgens de jury ook te weinig aan. Daar hebben ze een punt.
Overzicht van de bekroningen vindt u hier.
De eerste opmerking moet haast wel gaan over Jef Aerts, die met zijn tobberige proza vol verstikkend taalspel en gezochte metaforen vooral volwassen weet te bekoren op een manier die we sinds de jaren negentig van de vorige eeuw niet meer hebben gezien. Aerts is met twee boeken genomineerd en dat doe je natuurlijk niet zomaar. De tweede opmerking moet naar Jan Paul Schutten verwijzen, die veel lef heeft getoond door in een ambitieus informatief boek de strijd aan te gaan met bijna de helft van alle Nederlanders, die volgens onderzoek nog twijfelt aan de evolutieleer. Wie mijn voorkeur heeft, daar hebben we dan weer geen close reading voor nodig.
Het lijstje geeft verder een prima beeld van 2013, hoewel de jury met 9 Zilveren Griffels en 12 Vlag en Wimpels zich blijft gedragen alsof we met een bekroning minder iemand groot onrecht doen. Wel aardig dat de jury nog eens aandacht vestigt op de toegankelijke kinderbiografie ABC Dragt, die een Vlag en Wimpel krijgt, net als het zeer aardige Sammie en opa van Enne Koens. De regels van drie van Marjolijn Hoff, eerder dit jaar goed voor de Woutertje Pieterseprijs, heeft het terecht niet verder dan een eervolle vermelding geschopt. Verder een aantal interessante debutanten, waaronder Jonge Vlieger van Ellen van Velzen en het interessante Broergeheim van Emiel de Wild, die Zilver heeft gekregen. Bette Westera krijgt haar tweede Zilveren Griffel voor het geestige Held op sokken. En de mooi uitgegeven bloemlezing Ik zoek een woord van Hans en Monique Hagen ook. Kinderpoëzie doen we volgens de jury ook te weinig aan. Daar hebben ze een punt.
Overzicht van de bekroningen vindt u hier.
vrijdag 16 mei 2014
Waarom ik tegen jeugdliteratuur voor bovenbouwleerlingen ben
Ik ben niet voor jeugdliteratuur in de bovenbouw; ik ben voor het wegvallen van dat malle onderscheid. Er is in de volwassenenkast genoeg waar 'jeugdliteratuur' op had moeten staan (Giphart) en tussen de jongerenboeken wemelt het van de titels die door dat label tekort worden gedaan (Floortje Zwigtman, John Green). Het komt voor dat je bij het vak Engels wel fantasy mag lezen, maar bij Nederlands geen jeugdliteratuur. Idioot. Leraren lezen te weinig moderne literatuur, doen nauwelijks mee aan het broodnodige debat daarover en kijken te veel naar marketingkreten op achterflappen. Maar het ergste: dat er onder leesbevorderaars een sfeer is ontstaan dat je tot je vijfentwintigste van die weinig uitdagende young adult of crossover zou moeten lezen. Aangezien je na je vijfentwintigste werkt en kindert, kom je nooit meer aan Kafka toe. Vanaf je zestiende moet je dus grote literatuur lezen. Als we het daar over eens zijn, hoeft alleen nog dat vooroordeel weg dat jeugdliteratuur niet groot kan zijn.
PS: Ik zou zelf helemaal de andere kant op willen. Waarom moeten jongeren eigenlijk die provinciale Nederlandse literatuur lezen, waar nauwelijks genoeg hoogtepunten in te ontdekken zijn om een canon mee te vullen? Waarom niet een vak wereldliteratuur? Met meer dan genoeg ruimte voor iedere jonge lezer om dat ene boek te vinden dat écht bij hem of haar past?
PS: Ik zou zelf helemaal de andere kant op willen. Waarom moeten jongeren eigenlijk die provinciale Nederlandse literatuur lezen, waar nauwelijks genoeg hoogtepunten in te ontdekken zijn om een canon mee te vullen? Waarom niet een vak wereldliteratuur? Met meer dan genoeg ruimte voor iedere jonge lezer om dat ene boek te vinden dat écht bij hem of haar past?
dinsdag 13 mei 2014
Nieuwe Vlaamse prijs: de Gouden Poëziemedaille
In België is er een nieuwe prijs: de Gouden Poëziemedaille. Alle kandidaten voor de eerste bekroning, die morgen op 14 mei bekend wordt gemaakt, zijn Nederlandse dichters: Ted van Lieshout, Edward van de Vendel, Jaap Robben en Bette Westera. Een vakjury kiest de winnaar uit een poëziebundel van de afgelopen twee jaar. Kinderjury's gaan beste gedichten aanwijzen, als ik het goed begrijp uit de genomineerde boeken. Die worden op posters in scholen opgehangen. Of een vakjury ervoor kan zorgen dat kinderen meer gedichten gaan lezen betwijfel ik; maar dat posters in klassen ophangen werkt, weet ik zeker. Goed idee. Zouden we hier ook moeten doen. En met die kinderjury's zorg je er meteen voor dat het juiste gedicht de juiste prijs wint: aandacht. Want een muurgedicht is het beste alternatief op uit het raam staren.
maandag 3 maart 2014
Interessant in maart 2014
Een Woutertje Pieterse deze week. Als elk jaar volkomen onvoorspelbaar wie ermee naar huis gaat. Een prijs waar veel over gepraat wordt, overigens zonder veel invloed te hebben op succes en verkoop. Verder interessant in maart? Alle beroemde schrijvers drinken, behalve ik (Eenhoorn) vanwege de titel. Aadje piraatje moet nog steeds in bad en ik sprak eerder positief over Lisa Boersen, waarvan De stemmenslurper deze maand verschijnt (Gottmer). Van (te) veelschrijver Kevin Brooks verschijnt Bunkerdagboek (Harmonie), schijnt erg goed te zijn maar dat hoor ik over Brooks, die zijn geweldige eerste boeken niet evenaarde, elke keer. Maar misschien is het dit keer wel waar. De liefhebbers van Isol, hoor ik tot nu toe niet bij, kunnen hun hart ophalen aan Mijn moeder is een stekelvarken. In april is de filosofiemaand. Daarop vooruitlopend verschijnen Lieve Stine, weet jij het? van Stine Jensen (Kluitman) en Grote gedachten van Jenny van der Molen (Ploegsma). Ingrid Godon en Toon Tellegen hebben opnieuw een project samen: Ik denk. Hun vorige gezamenlijke project was érg mooi, maar niet voor kinderen. Paul van Loon verving in de oude Griezelbussen de illustraties, de te griezelig zouden zijn. Van deze vernieuwde serie verschijnt Griezelbus 5. Nog niet gezien: Soms laat ik je even achter, de nieuwe Daan Remmerts de Vries, die in februari zou komen. Nog steeds benieuwd. Elmer bestaat vijfentwintig jaar, en hij beleeft een nieuw avontuur in Elmer en de walvissen (Van Goor). Bij dezelfde uitgeverij wordt de serie Divergent afgerond met een derde deel en een boek bij de film. Zelf niet zo veel mee, maar schijnt bij jongeren wel wat te doen.
zaterdag 15 februari 2014
***** (5) voor Sjoerd Kuyper Hotel de grote L
Omringd door 'drie krankzinnige meiden en drie halfdode mannen' woont de moederloze Kos in het duinhotel van zijn vader. Het is voorjaar en het hotel krijgt een nieuwe naam. Ze zijn al bij de L. Maar eerst maakt hij nog even een bijna onmogelijk doelpunt voor de ogen van Isabel én een Ajax-scout. Kortom: zo'n dag 'om je naam met een spuitbus op de maan te zetten'. Van blijdschap krijgt zijn kettingrokende en bierdrinkende vader een hartaanval.
Dan gaat alles verkeerd. Vooral voor Kos, die het moet zien te redden met zijn drie rare zussen, waar hij niets, maar dan ook niets van begrijpt. Hij lucht zijn hart op de oude taperecorder van Walput, de kok van het hotel. Het liefst zou hij God zelf spreken. 'Maar als God bestaat, heeft hij ook de meisjes geschapen en met zo iemand praat ik liever niet.'
Je kunt blijven citeren uit Hotel de grote L van Sjoerd Kuyper (1952). Liefde en dood, man en vrouw, seks en houden van, held zijn en niet durven, proza en poëzie, diepe gedachten en kolder: Kuyper gooit al zijn favoriete thema's door en over elkaar in een wilde kruiwagenrace over een hobbelig traject. Dat heeft hij vaker gedaan, maar dit keer houdt hij alles binnenboord.
Want als Kuyper schrijft, dan is het met beide hartkleppen open, op leven en dood. Gaat het met hem niet goed, dan ook niet met zijn proza. En het gíng de afgelopen jaren een paar keer niet goed. Kuyper mag een virtuoos taaljongleur zijn, een feilloos evenwichtskunstenaar is hij niet.
Nu had hij ook wel wat te verhapstukken. Hij dacht, de zestig naderend, te mogen terugkijken op een mooi oeuvre van zo'n vijftig titels. Hoogtepunten waren Het zakmes (1981/1991), Majesteit, Uw ontbijt (1988), De rode zwaan (1996) en zijn zeer gewaardeerde serie voorleesboeken voor kleuters, waarvan Robin en God (1995) een Gouden Griffel kreeg. Toch bleek er ineens bijna niets meer van te koop, vond hij wat er over was in de ramsj en toonden zijn uitgevers in zijn ogen alleen nog belangstelling voor nieuwe series, die lekker makkelijk in de markt liggen.
Kuyper heeft er in een geruchtmakende lezing geen geheim van gemaakt: ze konden allemaal zijn rug op, die uitgevers. Hij verdiende zijn geld liever met het maken van musicals en films. En dat was te merken. Over Morrison krijgt een zusje (2008) en Mijn opa de bankrover (2011) geen gemopper, maar serieus nieuw werk kwam nauwelijks meer van de grond. Met het malle voorlichtingssprookje voor pubers Het hart en het mes (2004) als dieptepunt. Alleen zijn gedichten bleven krachtig als altijd.
Twee jaar geleden was er ineens bij een nieuwe uitgever een nieuwe Robin: O rode papaver, boem pats knal. Overrompelend vrolijk, ontroerend wijs, bulkend van geluk. Kort daarna kreeg hij, als om alles goed te maken, de Theo Thijssenprijs voor zijn hele oeuvre.
Toch ontbrak er nog iets, maar niemand wist wat. Tot vandaag dan, want nu is er Hotel de grote L. Kos heeft de innerlijke strijd, de worsteling die Robin mist, die Kuyperiaanse drang om alles tegelijk te willen zijn: gelukkig en verdrietig, bang en moedig, vol branie en verlegen, held en kluns, leugen en waarheid, hoffelijke geliefde en stoere lul.
En hoe komisch de ontwikkelingen oppervlakkig bezien ook lijken, álles is dubbel en dubbelzinnig, tot de titel aan toe. De vader, die zo veel schulden heeft dat het hotel over een week failliet verklaard zal worden. De vier verliefde kinderen. Libbie op de suïcidale dichter Felix. Briek op de aanvoerder van het Tuvaluaanse jeugdelftal. De kleine Pel op een zeerob. Kos moet alles in zijn eentje oplossen. Uiteindelijk doet hij dat door als een meisje verkleed met de pruik van zijn overleden moeder mee te doen aan dezelfde missverkiezing als zijn geliefde Isabel.
Is Hotel de grote L écht zijn allerbeste? Dat blijft er in het hele boek om spannen, zo erg dat het lijkt of Kuyper het erom doet. Alleen aan het eind voel je even dat hij alles wat hij in gang heeft gezet bijna niet meer kan beteugelen en dreigt het verhaal even een houterige zwart-witfilm met te veel gooi- en smijtwerk te worden. Gelukkig maakt hij er dan razendsnel een glorieus eind aan.
Maar waar hebben we het over. Liever citeren we nog wat. 'Je kunt het leukste meisje ter wereld hebben, zet er twee andere bij en je hebt drie trutten.' 'Alsof je je hand in een croissant steekt.' 'Bij dieren zijn mannetjes ook de mooiste vrouwtjes.' Dit proza is onweerstaanbaar. Je kunt niet anders concluderen dat Kuyper een geboren schrijver voor puberjongens is, maar wel een die daar kennelijk eerst zestig voor moest worden.
***** (5)
Hotel de grote L
Sjoerd Kuyper
Lemniscaat, 228 pagina's, € 7,50
ISBN 9789047705420
Vanaf 12 jaar
Dan gaat alles verkeerd. Vooral voor Kos, die het moet zien te redden met zijn drie rare zussen, waar hij niets, maar dan ook niets van begrijpt. Hij lucht zijn hart op de oude taperecorder van Walput, de kok van het hotel. Het liefst zou hij God zelf spreken. 'Maar als God bestaat, heeft hij ook de meisjes geschapen en met zo iemand praat ik liever niet.'
Je kunt blijven citeren uit Hotel de grote L van Sjoerd Kuyper (1952). Liefde en dood, man en vrouw, seks en houden van, held zijn en niet durven, proza en poëzie, diepe gedachten en kolder: Kuyper gooit al zijn favoriete thema's door en over elkaar in een wilde kruiwagenrace over een hobbelig traject. Dat heeft hij vaker gedaan, maar dit keer houdt hij alles binnenboord.
Want als Kuyper schrijft, dan is het met beide hartkleppen open, op leven en dood. Gaat het met hem niet goed, dan ook niet met zijn proza. En het gíng de afgelopen jaren een paar keer niet goed. Kuyper mag een virtuoos taaljongleur zijn, een feilloos evenwichtskunstenaar is hij niet.
Nu had hij ook wel wat te verhapstukken. Hij dacht, de zestig naderend, te mogen terugkijken op een mooi oeuvre van zo'n vijftig titels. Hoogtepunten waren Het zakmes (1981/1991), Majesteit, Uw ontbijt (1988), De rode zwaan (1996) en zijn zeer gewaardeerde serie voorleesboeken voor kleuters, waarvan Robin en God (1995) een Gouden Griffel kreeg. Toch bleek er ineens bijna niets meer van te koop, vond hij wat er over was in de ramsj en toonden zijn uitgevers in zijn ogen alleen nog belangstelling voor nieuwe series, die lekker makkelijk in de markt liggen.
Kuyper heeft er in een geruchtmakende lezing geen geheim van gemaakt: ze konden allemaal zijn rug op, die uitgevers. Hij verdiende zijn geld liever met het maken van musicals en films. En dat was te merken. Over Morrison krijgt een zusje (2008) en Mijn opa de bankrover (2011) geen gemopper, maar serieus nieuw werk kwam nauwelijks meer van de grond. Met het malle voorlichtingssprookje voor pubers Het hart en het mes (2004) als dieptepunt. Alleen zijn gedichten bleven krachtig als altijd.
Twee jaar geleden was er ineens bij een nieuwe uitgever een nieuwe Robin: O rode papaver, boem pats knal. Overrompelend vrolijk, ontroerend wijs, bulkend van geluk. Kort daarna kreeg hij, als om alles goed te maken, de Theo Thijssenprijs voor zijn hele oeuvre.
Toch ontbrak er nog iets, maar niemand wist wat. Tot vandaag dan, want nu is er Hotel de grote L. Kos heeft de innerlijke strijd, de worsteling die Robin mist, die Kuyperiaanse drang om alles tegelijk te willen zijn: gelukkig en verdrietig, bang en moedig, vol branie en verlegen, held en kluns, leugen en waarheid, hoffelijke geliefde en stoere lul.
En hoe komisch de ontwikkelingen oppervlakkig bezien ook lijken, álles is dubbel en dubbelzinnig, tot de titel aan toe. De vader, die zo veel schulden heeft dat het hotel over een week failliet verklaard zal worden. De vier verliefde kinderen. Libbie op de suïcidale dichter Felix. Briek op de aanvoerder van het Tuvaluaanse jeugdelftal. De kleine Pel op een zeerob. Kos moet alles in zijn eentje oplossen. Uiteindelijk doet hij dat door als een meisje verkleed met de pruik van zijn overleden moeder mee te doen aan dezelfde missverkiezing als zijn geliefde Isabel.
Is Hotel de grote L écht zijn allerbeste? Dat blijft er in het hele boek om spannen, zo erg dat het lijkt of Kuyper het erom doet. Alleen aan het eind voel je even dat hij alles wat hij in gang heeft gezet bijna niet meer kan beteugelen en dreigt het verhaal even een houterige zwart-witfilm met te veel gooi- en smijtwerk te worden. Gelukkig maakt hij er dan razendsnel een glorieus eind aan.
Maar waar hebben we het over. Liever citeren we nog wat. 'Je kunt het leukste meisje ter wereld hebben, zet er twee andere bij en je hebt drie trutten.' 'Alsof je je hand in een croissant steekt.' 'Bij dieren zijn mannetjes ook de mooiste vrouwtjes.' Dit proza is onweerstaanbaar. Je kunt niet anders concluderen dat Kuyper een geboren schrijver voor puberjongens is, maar wel een die daar kennelijk eerst zestig voor moest worden.
***** (5)
Hotel de grote L
Sjoerd Kuyper
Lemniscaat, 228 pagina's, € 7,50
ISBN 9789047705420
Vanaf 12 jaar
zaterdag 1 februari 2014
Interessant in februari 2014
We houden nog even Hotel de grote L erin want die is net uit en nog niet door iedereen besproken. Verder een spannende maand met een nieuwe Almond, De jongen die met piranha's zwom, een nieuwe Daan Remmerts de Vries en Zapp Mattheus van Simon van der Geest. Er komt een nieuwe vertaling van Jenny de Jonge, Wat ik weet. Een vertaalster die ik altijd in de gaten houd. Ik ben benieuwd naar Mevrouw Wit Konijn, het verhaal over Alice in Wonderland door de ogen van de partner van het meest tot de verbeelding sprekende personage. Ik zit al een week te achten op de nieuwe young adult van Lemniscaat Ik. Youp van 't Hek probeert het met wéér een andere illustrator: Marije Tolman. Maar wordt hij daar zelf minder oubollig van? Ten slotte brengt De Fontein Sjakie en de glazen lift uit 1972 opnieuw uit. Nog altijd blijft het gek dat dit verhaal zo ontzettend lijkt op Abeltje van onze eigen Annie M.G. Schmidt uit 1953. Ten slotte is er voor liefhebbers een nieuwe Tosca Menten, Expeditie B.U.L.K.. De vertraagde Aadje piraatje moet in bad verschijnt.
Abonneren op:
Posts (Atom)
